Door Karel-Peter Companje, medisch historicus.

Inleiding van de redactie op de gehele serie artikelen over de geschiedenis van de Zorgverzekeringswet

Tijdens de afgelopen verkiezingscampagne viel op, dat menig bestuurder en kandidaat-politicus uitspraken deed over de Zorgverzekeringswet. Veelal deden zij dat in aansluiting op teksten in hun verkiezingsprogramma’s of in documenten die hun eigen organisatie uitbracht. De meeste suggesties betroffen het plaatsen van regionale regie bij de zorgverzekeraar met het grootste regionale marktaandeel. Daarmee verliest de zorgverzekeraar zijn status als schadeverzekeraar: deze draagt dan als regisseur de volle verantwoordelijkheid voor een regionaal zorgaanbod. Dit is juridisch lastig vanwege Europese Wetgeving en Richtlijnen. Van countervailing power is dan geen sprake meer: de verzekeraar is de baas. Daarnaast kwamen suggesties naar voren om een deel van de ZVW-gelden over te hevelen naar het sociale domein. De uitvoering van de suggesties over regionale regie en over sociaal domein betekenen grote veranderingen in de Zorgverzekeringswet, de status van de verzekeraar, de WMO, de marktwerking en de machtsverhoudingen tussen partijen. In aparte artikelen gaf de redactie hier al commentaar op. Klik hier en hier.

Het verleden leert dat enorme wijzigingen een invoeringsperiode nodig hadden van tien tot twintig jaar. Wij vroegen de medisch historicus Karel-Peter Companje om in een serie artikelen de geschiedenis van de Zorgverzekeringswet en haar voorgangers te schetsen. Hieronder volgt de dertiende de aflevering in een reeks. Klik hier voor afleveringen ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegentienelf, twaalf en dertien.

Inleiding

De noodzaak tot een duidelijk programma voor kostenbeheersing in de zorg was gebleken door de chaotische financiële situatie als gevolg van de afwikkeling van het Plan Simons in 1994, de nieuwe budgetdiscipline met het Budgettair Kader Zorg en de 1,3% volumenorm van het kabinet Kok-I.

In het regeerakkoord van Kok-I was opgenomen dat hiervoor een nieuw programma zou worden ontwikkeld. Daarnaast kwam de Nederlandse Zorgfederatie, NZf, met een eigen onderzoeksprogramma om vanuit de zorg data te leveren en duidelijk te maken wat de spanning was tussen datgene wat de overheid als budget beschikbaar wilde stellen en wat nodig was om goede en voldoende zorg te kunnen leveren: de zorgkloof.

De instelling van de TVK

Het kabinet besloot op 16 september 1994 tot de instelling van de Taskforce Volumebeheersing en Kostenbeperking, TVK. De opdracht voor de commissie was het doen van voorstellen voor systeem-aanpassingen de die doelmatigheid van handelen van actoren in de zorg, aanbieders, verzekeraars en consumenten moesten vergroten. Daarbij moesten beleidsinstrumenten worden ontwikkeld om te voorkomen dat de prijsstijging in de zorg die de nominale ontwikkeling van het BBP [Bruto Binnenlands Product] ruim te boven gaat zou worden beteugeld1.

De leden van de commissie gingen voor het zoeken naar nieuwe instrumenten letterlijk door het land voor nieuwe wegen. Het marktdenken was niet meer dominant [na de spanningen door het vastlopen van het Plan Simons]. Het strakke overheidsdirigisme dat in de zeventiger en tachtiger jaren werd voorgestaan, was door het intrekken van de Wet Voorzieningen Gezondheidsvoorzieningen in 1996 definitief van de baan2. De weg leidt naar andere verantwoordelijkheden tussen de partijen.

De begintijd van Kok-I was een rustige tijd. Het zoeken naar evenwichtige vormgeving van het zorgstelsel ging door zoals de ontwikkeling van verzekeraarsbudgettering voor ziekenfondsen en de AWBZ, het zoeken naar antwoorden op de vraag welke eisen er aan collectiviteiten konden worden gesteld en hoe het draagvlak voor kostenbeheersing kon worden verbreed.

Een gebrekkig instrumentarium voor kostenbeheersing

Doelmatigheid en kwaliteit van zorg waren voor de TVK nauw verbonden, maar de overheid had eigenlijk geen goede instrumenten om de kosten van zorg te beheersen3. Het bestaande wettelijk kader, de oude Wet Ziekenhuisvoorzieningen en de Wet Tarieven Gezondheidszorg, was bedoeld voor het ordenen van groei en het tot stand brengen van correcte tariefstellingen voor het beheersen van volume en kosten op macroniveau. Dat leverde spanning op met de behoefte om kosten op microniveau te beheersen.

Tegelijkertijd werd de overheidsregulering ontmanteld doordat oude instrumenten als het bouwkostenplafond en de beddenreductie waren afgeschaft, terwijl nieuwe instrumenten als doelmatige zorginkoop en functionele omschrijving van zorg onvolledig waren doorgevoerd. De nieuwe checks and balances en de daarbij passende verantwoordelijkheden waren nog niet ontwikkeld. De budgettering van ziekenfondsen leverde voor hen geen echt risico op.

De nieuwe indeling van zorg in compartimenten bood volgens de TVK mogelijkheden om voor de incentive-structuur per compartiment aanbevelingen te doen.

De belangrijkste voorstellen van de TVK

De meeste voorstellen van de TVK waren maatregelen die zich niet zozeer lenen om in een geraamde opbrengst te voorzien, maar veeleer om maatregelen die het risico van kostenoverschrijdingen in een omvang die zich historisch voorgedaan minder waarschijnlijk te maken4. Zorg-op-maat door persoonsgebonden budgetten, zorgvernieuwingsfondsen en verbeterde indicatiestelling bij de care, herziening van eigenbijdrageregelingen, budgettering van ziekenfondsen en een waarborgfonds voor de facilitering van kapitaallasten waren maatregelen die vanaf 1995 geleidelijk werden ingevoerd

Indicatiestelling en zorgvernieuwingsfondsen

Volgens de TVK zou zorg op maat, afgestemd op de wensen en de behoeften van de zorgvrager, de prestaties van zorgaanbieders beter zichtbaar maken. Dit zou mogelijk zijn door samenhangende maatregelen voor indicatiestelling, zorgvernieuwingsfondsen, het persoonsgebonden budget en eigen betalingen.

De indicatiestelling voor verzorgings- en verpleeghuizen was tot 1995 te sterk aan zorgverlenende instellingen verbonden, met onvoldoende afstemming op de verschillende zorgvoorzieningen. Volgens de TVK zou een indicatie volgens een landelijk uniform protocol moeten worden afgegeven door een Regionaal Indicatie Centrum. De Landelijke Vereniging voor Thuiszorg en de Vereniging van Nederlandse gemeenten sloten hiervoor in 1997 een covenant met de Regionale Indicatie Organen, dat door staatssecretaris E.G. Terpstra met het Zorgindicatiebesluit werd uitgebreid tot de hele zorg. Deze Organen werden in 2005 gecentraliseerd tot het Centraal Indicatieorgaan, CIZ.

Op voorstel van de TVK werden alle subsidie- en aanverwante regelingen in de care samengevoegd tot zorgvernieuwingsfondsen voor de voor de gehandicaptenzorg, verpleging en verzorging, maatschappelijke opvang en beschermd wonen. De voordelen waren volgens de TVK duidelijk: de administratieve lasten van vele, naast elkaar bestaande regelingen vervielen. De AWBZ-verbindingskantoren zouden toegekende subsidies kunnen intrekken als de ingediende projecten onvoldoende zouden zijn, of de resultaten te wensen zouden overlaten5.

Persoonsgebonden budgetten

Sinds mei 1991 werd geëxperimenteerd met cliëntgebonden budgetten voor verpleging en verzorging, maar beheerstechnisch waren er nogal wat haken en ogen6. Er werden soms tegen forse bedragen contracten afgesloten tussen gesubsidieerde thuiszorginstellingen en particuliere bedrijven om hun personeel in te huren voor de verlening van hulp.

De TVK werkte het cliëntgebonden budget in haar rapportage uit tot persoonsgebonden budget, PGB, bestemd voor persoonsgerichte zorg op maat. Persoonsgebonden budgetfinanciering impliceert van overheidsgestuurde planning naar regulering van de markt zelf7. Zover wilde de TVK niet gaan. De hoogte van een PGB zou moeten worden gemaximeerd, afhankelijk van de vernieuwde indicatiestelling en te ontwikkelen schalen voor zorgintensiteit.

Borst-Eilers en Terpstra namen het voorstel van de TVK in juli 1995 over. De PGB’s zouden door de verbindingskantoren voor de AWBZ worden verstrekt en per regio zoveel mogelijk uit de sectorale zorgvernieuwingsfondsen worden gefinancierd. Om de invoering van het PGB te versnellen, zou PGB-invoering voorrang krijgen boven zorgvernieuwingsactiviteiten.

De regeling zou een eenvoudige gebudgetteerde voorziening moeten blijven, maar van 2003 tot 2009 groeiden de kosten explosief met soms toenames van 25%, terwijl de AWBZ met 6% groeide8. Het was echter onduidelijk of de AWBZ sneller zou zijn gegroeid zonder het PGB.

Eigenbijdrageregelingen

Terpstra verklaarde in maart 1996 adviezen van de TVK en de Ziekenfondsraad gecombineerd op te volgen9. De eigen bijdragen voor wijkverpleging en gezinsverzorging werden op 1 januari 1997 samengevoegd tot een regeling voor de thuiszorg. Voor de intramurale zorg wilde zij een lage eigen bijdrage van 200 gulden en een hoge bijdrageregeling, afhankelijk van wachttijd, gezinssamenstelling en verblijfsduur.

Een maatregel waar Terpstra zeer om werd geprezen was de afschaffing van de vermogenstoets voor inwoners van bejaardenoorden vanaf 1 januari 1997 als zij ten laste kwamen van de AWBZ.

De WZV en kapitaallasten

De TVK bevestigde de problemen die al jaren met het bouwbeleid in de zorg speelden10:

  • De Wet Ziekenhuisvoorzieningen, de basis voor het beleid, stamde uit 1971 en was bedoeld om de groei van zorg te beheersen, niet om de capaciteit van zorg te verminderen. Voor aanpassingen in de infrastructuur waren er geen wettelijke instrumenten.
  • Langdurige planperiodes waren karakteristiek voor de WZV-regelgeving met een lange pijplijn en inflexibiliteit11.
  • Bouwinitiatieven die in de pijplijn zaten waren niet meer bij te sturen, terwijl regelmatig voorkomende incidentele meevallers als teken van onbeheersbaarheid werden beschouwd.
  • Het belangrijkste probleem was volgens de TVK de vergoeding van rentekosten en het rood staan van instellingen: in 1992 2 miljard gulden of meer dan de helft van de kapitaallasten van dat jaar12.

De kapitaallasten dreigden in 1994 onbeheersbaar te worden door de stelselwijziging volgens het Plan Simons met zijn elementen voor marktwerking in de zorg13. De kapitaallasten zouden in de toekomst niet meer via de tarieven kunnen worden gedeclareerd. Simons pleitte daarom in 1992 voor een waarborgfonds om de kapitaallasten om langere termijn financierbaar te houden.

Borst-Eilers en de TVK namen in overleg met de NZf het idee van een waarborgfonds over. De NZf overlegde met banken en andere financiers, terwijl VWS de richtlijn voor vergoeding van rentekosten aanpaste. VWS reserveerde 120 miljoen gulden als achtervangfuntie. In 1999 werd het Waarborgfonds voor de Zorgsector opgericht als private stichting, waarbij VWS de sturing hield14. De kapitaallastenproblematiek was voor de intramurale sector door deze oplossing gewaarborgd.

De conclusie van de TVK over haar voorstellen

De TVK had niet de pretentie volledig te zijn met de voorgestelde maatregelen. Maar als haar voorstellen werden aangenomen, dan zou volgens haar hetgeen maatschappelijk haalbaar was wel zijn bereikt15.

De Nederlandse Zorgfederatie

De Nederlandse Zorgfederatie, in 1991 gevormd uit de Nationale Ziekenhuisraad, bestond uit vier verenigingen: De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, voor Verpleeghuizen, voor Gehandicaptenzorg en voor Geestelijke Gezondheidszorg. In de loop der jaren sloten de huisartsen- en de farmaceutische organisaties zich aan.

De NZf trad als brancheorganisatie op onder voorzitterschap van A.T.K.J. Krol, die begaan was met de gevolgen van het overheidsbeleid voor de zorg en zich druk maakte over het softe probleemimago van de gezondheidszorg16. De NZf werd snel een machtige partij doordat deze alle instellingen vertegenwoordigde en mede door de publiciteitscompagnes van Krol om de financiële belangen van het zorgaanbod voor het voetlicht te brengen17. Het beleid van Paars-I werd wegens het BKZ en de 1,3%-volumenorm door de NZf als desastreus beschouwd. Dit kraptebeleid zou volgens de NZf voor de intramurale sector een bezuiniging van 650 miljoen gulden betekenen18.

Daarbij was de goede relatie tussen Borst-Eilers en Krol fundamenteel. Borst-Eilers en Krol hadden vaak telefonisch contact voordat de minister haar beleid in het parlement moest verdedigen19. Krol hoopte met de Federatie te bereiken dat de gezondheidzorg niet langer als collectieve last en kostenpost werd gezien, maar als zaak van maatschappelijk economisch belang20.

Hij zag hiervoor, naast het voeren van publiciteitscampagnes, twee belangrijke middelen:

  • Een onafhankelijke commissie, gesteund door het Nationaal Ziekenhuisinstituut, om het cijfermateriaal van de intramurale sector zelf te analyseren
  • Rapportages op basis van deze data. Dit werd de reeks ‘Gezondheidszorg in Tel’, GiT, waarvan vanaf 1993 ieder jaar een nieuw rapport verscheen. Deze rapportages werden gepubliceerd tijdens het Nationaal Debat Gezondheidszorg, dat mede door de NZf in de periode 1993-2001 werd georganiseerd. Iedere GiT werd door een wisselende groep experts uit het zorgveld samengesteld

De reeks werd als actief verantwoordingsinstrument van het veld gepresenteerd. Vanaf 1997 werd 90% van de zorg door de NZf met de reeks in kaart gebracht. Per sector werden geactualiseerde overzichten gegeven over de ontwikkelingen in het productievolume, de productiviteit, de wachlijsten en de arbeidsmarkt met raming van de benodigde middelen. Het GiT deel 8 uit 2001 werd vergeleken met de door VWS opgestelde ‘Zorgnota 2000’ voor de periode 2001-2004. In deze GiT werd opgemerkt: Het GiT is een document opgesteld in opdracht van het veld, de zorgaanbieders, door een onafhankelijke stuurgroep en Prismant […] Het geeft transparantie en inzicht in trends en beleidsontwikkelingen21.

Maar dit was de laatste GiT. De invloed van voorzitter Krol werd vanaf 1998 ondergraven, doordat de voorzitters van de aangesloten verenigingen zich steeds meer macht toeëigenden. De verenigingen volgden ook steeds meer hun eigen weg. De NZf verloor haar status als werkgeversorganisatie: verenigingen als de NVZ en Actiz sloten zelf CAO’s af. Krol trad in 2000 af. De NZf werd in 2004 ontmanteld en vervangen door het Brancheoverleg Zorginstellingen22. Hiermee kwam een einde aan het korte tijdperk van federatieve belangenbehartiging door de intra- en extramurale zorg. De sector was door het verlies aan uniforme belangenbehartiging verzwakt.

Het GiT over de schaarse middelen voor de zorg

De NZf hoopte met de eerste GiT de in 1993 ontstane impasse in de stelselwijziging door het vastlopen van het Plan Simons te doorbreken. Het breekt de staf met de tobberigheid die op dit moment het denken over de toekomst van de gezondheidszorg verlamt. Het rapport toont aan dat de gezondheidszorg een voor de Nederlandse samenleving belangrijke bouwsteen is, aldus C. Spreeuwenberg23.

Deze GiT was gericht op de productiviteit in de zorg, met een analyse van de maatschappelijke en economische positie van de zorgsector vanaf 1960.

Vanaf de tweede GiT werd de zorgkloof als de rode draad geïntroduceerd: de spanning tussen de door de overheid toegestane middelen en de door het veld als noodzakelijk geraamde middelen24. De benodigde jaarlijkse groei voor de volgende kabinetsperiode werd in oktober 1994 volgens GiT 2 voor de intramurale sector jaarlijks op 5,1% geschat25. Hiervan was 2,5% nodig voor de groei van het volume. Deze zou voor 0,2% kunnen worden opgevangen door productiviteitserbeteringen. De beschikbare ruimte was 3,8% volgens GiT 2 .

Het verschil tussen de benodigde en de beschikbare ruimte voor de intramurale zorg, ofwel de zorgkloof, werd voor 1994 berekend op 400 miljoen gulden.

De zorgkloof en het BKZ

Het overbruggen van de zorgkloof werd ingewikkelder door het Budgettair Kader Zorg, BKZ. Het domein van het BKZ betrof de uitgaven uit het eerste en tweede compartiment: de financiering van de zorg, verstrekt door alle leden van de NZf26.

Budgetdiscipline zou volgens de GiT in het tweede compartiment, de verzekerbare zorg, zou volgens de NZf alleen mogelijk zijn bij volledige verzekeraarsbudgettering met volledige vrijheid aan de aanbodkant27. De overheid zou zich niet moeten bemoeien met het volume van de productie en de productiecapaciteit van individuele zorgaanbieders. De NZf wilde daarom deregulering van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen tot een globaal concessiestelsel.

De zorgkloof viel volgens de berekeningen in GiT 3 ondanks of dankzij onduidelijkheden met de elasticiteit van het BKZ28 lager uit dan in 1994: 0,8% in plaats van 1,4%. Dit was te danken aan een hogere productiviteit van 0,3% en een hoger productvolume29. De jaarlijkse groei voor de intramurale zorg werd geraamd op 4,3%30, terwijl de beschikbare groei volgens gegevens van VWS in 1996 op 3,5% werd gesteld. De zorgkloof kwam volgens GIT 4 voor 1996 op 0,8% uit en volgens GiT 5 voor 1997 op 0,9%31.

In GiT 5 werd geconstateerd: De kloof die ontstaat tussen de benodigde middelen en de ruimte die daarvoor beschikbaar is in het regeerakkoord betreft in totaal 0,9% ofwel 470 miljoen gulden per jaar. Voor de komende kabinetsperiode komt dit neer op een tekort van 1,9 miljard gulden. De zorgfkloof loopt nog 0,7 miljard gulden op als het tekort, dat voor 1998 op het BKZ is toegestaan, alsnog in de komende kabinetsperiode moet worden gecompenseerd. Tevens is in deze raming nog niets gedaan aan de aanpak van wachtlijsten32. En die begonnen aardig op te lopen, volgens de NZf te wijten aan de zorgkloof.

De zorgkloof; overbrugging en hardheid van cijfers

De zorgkloof werd door de NZf tijdens contacten met de media en in politieke discussies overtuigend gebracht, maar hoe hard was de kloof eigenlijk?

De berekeningen voor de zorgkloof waren gebaseerd op en bedoeld als repliek op de begrotingen van de overheid. De berekeningen uit het lopende jaar van de begroting waren echter ramingen. De definitieve cijfers voor het lopende jaar werden nat twee jaar definitief vastgesteld volgens de regel t+2. Het BKZ dwong daarbij formeel tot compenserende maatregelen, waarbij het onzeker was of deze wel of niet afgedwongen. De kloof tussen overheidsdata en GiT-cijfers was pas na twee jaar vast te stellen.

F. de Kam maakte in de ‘NRC’ van 13 november 1998 de balans op over vier jaar kostenbeheersing en constateerde dat de gerealiseerde groei 1,8% per jaar bleek33. De overschrijdingen waren opgelopen tot 2 miljard gulden door hoger medicijngebruik, uit de pas lopende declaraties van huisartsen en specialisten en hogere productie van ziekenhuizen. De zorgkloof was volgens De Kam als verschil tussen de volgens de NZf benodigde en door de overheid beschikbare middelen een misleidend begrip: het gaat niet om een tekort aan zorg, maar om een beweerd budgettair gat.

De zorgkloof kon in andere onderzoeken met verschillende berekeningen anders uitvallen. Ook met het TVK-rapport ‘Zuinig met zorg’ waren er verschillen, onder meer met de berekeningen van productievolume en volume-ontwikkelingen door de toepassing van CBS-cijfers34. De verschillen ontstonden mede doordat in de GiT’s genees- en hulpmiddelen buiten de berekeningen bleven en het niet altijd duidelijk was hoe in sommige sectoren kostensoorten voor volume of prijs werden gebruikt.

De samenstellers van de GiT-reeks waren van mening dat hun berekeningen het meest aansloot bij de vraag hoe de gerealiseerde en verwachte hoeveelheid middelen in de zorg het beste was vast te stellen35. De vraag hoe groot de zorgkloof nu feitelijk was, blijft door de verschillen in cijfers en financiële voorschotten en het achterwege laten van compenserende eisen achteraf nauwelijks te bepalen.

Kortom: Het veld overwint de kostenbeheersing van kabinet Kok-1

  • De zorgkloof van de NZf was in ieder geval publicitair een succes. De NZf wist de wachtlijsten handig bij de media publicitair neer te zetten en zelfs als tv-show te brengen.
  • De NZf droeg daarbij stevig bij aan de politieke en maatschappelijke consensus over de noodzaak dat er meer geld naar de zorg moest dan dat er door het BKZ en de volumenorm van 1,3% was toegestaan.
  • Het kostenbeheersingsbeleid voor zorg van het kabinet Kok-I was publiekelijk ten grave gedragen.
  • Daarnaast kwamen er voorstellen van de Taskforce Volumebeheersing en Kostenbeperking, (TVK) om in de toekomst bij te dragen aan nieuw kostenbeheersingsbeleid: zorg-op-maat door persoonsgebonden budgetten, zorgvernieuwingsfondsen en verbeterde indicatiestelling bij de care, herziening van eigenbijdrageregelingen, budgettering van ziekenfondsen en een waarborgfonds voor de facilitering van kapitaallasten.


1Zuinig met Zorg. Rapport ambtelijke taskforce volumebeheersing en kostenbeperking (Den Haag 1995) 1.

2 De WVG werd in 1996 door minister Borst ingetrokken. Zie Tweede Kamer 1995-1996; 24 547 no. 1-3.

3 Zuinig met Zorg, 2.

4 Idem, 118.

5 Idem, 32.

6 Tweede Kamer 1993-1994; Handelingen van 8 december 1993 35-2691.

7 Zuinig met zorg, 35, en Tweede Kamer 1994-1996; 23 904 no. 13, 3.

8 K. Sadiraj, D. Oudijk, H. van Kempen, J. Stevens, De opmars van het PGB. De ontwikkeling van het persoonsgebonden budget in nationaal en internationaal perspectief (Den Haag 2011) 17, 20-23.

9 Tweede Kamer 1995-1996; 24 124 no. 27, 2, 5-7, en idem, 24 333 no.12,6.

10 Tweede Kamer 1992-1993; 22 847 no. 4, 22.

11 Zuinig met zorg, 96-97.

12 Idem, 102-104.

13 Tweede Kamer 1992-1993; 22 847 no. 4, 1.

14 Stichting Waarborgfonds voor de Zorgsector, Jaarverslag 2015 (Utrecht 2016) 12.

15 Zuinig met Zorg, 120.

16 ‘Hollands dagboek: Ton Krol’, in: NRC, 2 mei 1998, en ‘Wachtlijsten slaan deuk in de zorg’, in: Provinciale Zeeuwse Courant, 4 april 1998.

17 ‘Borst bereikt met 200 miljoen ‘gevechtspauze’ in ziekenhuis-ruzie’, in: De Stem. 13 maart

18 Interview met A.J.T. Krol, J.J.A.H. Klein Breteler en L. Vandermeulen, 27 augustus 2018.

19 Interview met A.J.T. Krol, J.J.A.H. Klein Breteler en L. Vandermeulen, 27 augustus 2018, en Tweede Kamer1994-1995; Handelingen van 29 november 1994, 1768.

20 ‘Scheidend Nzf-voorzitter Ton Krol wil beloningsmechanismen in plaats van straf: Ondernemende zorgsector verdient meer vrijheid’, in: Zorg en Welzijn, 1 januari 2000.

21 NZf, Gezondheidszorg in tel 8 2001 (Utrecht 2000) 7.

22 Interview met G. van Montfort, 30 april 2018.

23 C. Spreeuwenberg, ‘Gezondheidszorg in tel’, in: Medisch Contact 40 (1993) 1223

24 NZf, Gezondheidszorg in tel 2. Overbrugging van de zorgkloof: handreiking van een ondernemende sector (Utrecht 1994)

25 GiT 2, 55.

26 Gezondheidszorg in Tel 3 (Utrecht 1995) 124.

27 GIT 3, 125.

28 Zie de vorige aflevering in deze reeks: Stelselaanpassingen en kostenbeheersingsbeleid tijdens paars I 1994-1998 (Aflevering 13), ingezien op 8 juni 2026.

29 GIT 3, 127-128.

30 Idem, 113.

31 Gezondheidszorg in Tel 4 (Utrecht 1996) 193, en Gezondheidszorg in tel 5 (Utrecht 1997) 41.

32 GiT 5, 51.

33 ‘Het piggelmeesydroom’, in: NRC, 13 november 1998.

34 GIT 5, 55.

35 Idem, 63.

Zoektermen voor internet

Karel Peter Companje, historisch feitje, Geschiedenis Zorgverzekeringswet TVK 1994, Taskforce Volumebeheersing en Kostenbeperking, Plan Simons afwikkeling, Budgettair Kader Zorg Kok-I, Nederlandse Zorgfederatie zorgkloof, Gezondheidszorg in Tel Prismant, oorsprong PGB en CIZ geschiedenis, Waarborgfonds voor de Zorgsector 1999, Els Borst Erica Terpstra zorgbeleid.