Door Marion Koopmans, viroloog, wetenschappelijk directeur van het onderzoekscentrum pandemische paraatheid (PDPC) ErasmusMC/EUR/TU Delft. 

In een eerdere blog (17 Oktober, 2024) beschreef ik waarom het belangrijk blijft om aandacht te houden voor mogelijke infectieziekte uitbraken als gevolg van contact met dieren, als onderdeel van pandemische paraatheid. De aanleiding daarbij was de ontdekking van een nieuwe vorm van mpox (voorheen monkeypox genoemd), de wereldwijde verspreiding van een vorm van vogelgriep die vervolgens koeien in de VS bleek te kunnen infecteren, en resultaten van studies in Nederland waarbij duidelijk was geworden dat we inmiddels met tenminste drie virusinfecties rekening moeten houden die via muggen overdraagbaar zijn (naast het al langer bekende teken-encephalitis virus). Maar wat is er eigenlijk geregeld in Nederland en waar is die informatie te vinden?

De zoönosenstructuur en het signaleringsoverleg zoönosen (SO-z)

Nederland heeft een tamelijk goed georganiseerde signalering van zoönosen, die is ontwikkeld na onder andere de ervaringen tijdens de Q-koorts uitbraak. Die uitbraak was gerelateerd aan de grote toename van geitenboerderijen, waardoor een normaal gesproken vrij zeldzame bacterie op grote schaal kon verspreiden. Q-koorts infecties bij dieren waren niet meldingsplichtig en bij nader onderzoek bleek dat al bijna twee jaar vóór de uitbraken bij de mens abortus problemen waren gesignaleerd in geiten, veroorzaakt door Q-koorts. Deze en andere uitbraken van zoönosen leidden tot de conclusie dat de organisatie van infectieziekten monitoring en signalering op het grensvlak van dier en mens beter moest. Eind 2008 werd daarom eerst een onderzoeksprogramma gestart, uiteindelijk resulterend in wat de zoönosenstructuur is gaan heten: een programma van aanpak vanuit zowel de Ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (inmiddels Landbouw Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), Economische Zaken als Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor signalering en bestrijding van zoönosen. Onderdeel van de zoönosenstructuur sinds 2011 is een landelijk signaleringsoverleg, waarin experts vanuit medische en veterinaire organisaties casuïstiek uit binnen- en buitenland bespreken, een risicoanalyse uitvoeren, en een kort verslag delen met een mailing list. Deze verslagen worden verspreid aan geabonneerde professionals. Artsen, dierenartsen, beleidsmedewerkers, studenten geneeskunde en diergeneeskunde, verpleegkundigen met specialisatie infectieziektebestrijding, en onderzoekers met interesse in deze signalering kunnen zich abonneren via een digitaal aanmeldingsformulier op de website van het RIVM).

De staat van Zoönosen, ofwel “de staat”

Naast de genoemde signalering zijn er ook structurele monitoringsprogramma’s voor zoönosen, waar inmiddels jaarlijks een overzicht van gemaakt wordt dat publiek toegankelijk is. “De staat” voor insiders is voluit “de staat van Zoönosen”, een publicatie die wordt samengesteld met inbreng van de verschillende organisaties die iets met zoönose signalering, monitoring en onderzoek van doen hebben. Het is (naar mijn smaak) een mooi en toegankelijk overzicht, via een website die toegang geeft voor snelle scanners naar de onderwerpen van interesse.

Een nieuwe rubriek: vector-overdraagbare infecties

Naast de “ gewone” zoönosen wordt ook elk jaar wat uitgelicht dat bijzonder is. Dit jaar zijn dat twee onderwerpen die mij nauw aan het hart liggen: vogelgriep, en vector-overdraagbare infecties. Die laatste categorie is voor het eerst opgenomen, nu uit onderzoek en monitoring is gebleken dat er zeker vier arbovirussen aanwezig zijn in Nederland: Usutu virus, vooral problematisch voor vogels, West Nijl virus, wat neurologische klachten bij mensen kan geven, Sindbis, een veroorzaker van gewrichtsklachten, en het al bekende tekenencefalitis virus. Dat “aanwezig zijn” voor de muggen-overdraagbare infecties betekent vooral: aanwezig zijn in vogels, waar deze virussen kunnen worden overgedragen door “gewone” Nederlandse steekmuggen (Culex) die vervolgens zelf geïnfecteerd raken met virus uitscheiding via speeksel tot gevolg. Deze zogenoemde “sylvatische cyclus” kan incidenteel tot infectie en ziekte leiden bij de mens en bij sommige andere diersoorten, maar grotere uitbraken zijn te verwachten als de omstandigheden gunstiger worden voor de combinatie van muggen, vogels en virussen. Met ons in 2021 opgerichte onderzoekscentrum bekijken we welke gevolgen er zijn van ingrijpen in het landschap op de kans op uitbraken: de Nederlandse rivierdelta en kustgebieden worden onder handen genomen door landschapsarchitecten om beter bestand te zijn tegen zeespiegelstijging en andere vormen van wateroverlast (PDPC, ofwel pandemic disaster preparedness center). Dit ingrijpen in ecologie zal zeker ook effect hebben op de evenwichten van daar voorkomende virusinfecties, en het is daarom ook zaak om te begrijpen hoe Nederland klimaatbestendig te maken zonder de kans op uitbraken te verhogen.

Van bovengenoemde virussen zijn alleen West Nijl en tekenencefalitis opgenomen in de Staat van Zoönosen, omdat daar humane infecties van gezien zijn in Nederland (wat dus ook betekent dat waakzaamheid geboden is want wat er nog niet is kan komen). De andere muggenoverdraagbare infecties die genoemd worden (dengue, Zika, Chikungunya, gele koorts, malaria) zijn importziekten die reizigers kunnen meenemen uit gebieden met (grote) uitbraken. Deze infecties worden overgedragen door muggensoorten die we in Nederland nog niet hebben, zoals de gele koorts mug (Aedes aegypti). Een muggensoort om in de gaten te houden is de tijgermug (Aedes albopictus), die eveneens vector kan zijn van een aantal nu exotische virusinfecties. Deze muggen worden nog bestreden, maar de organisatie die dat doet, de NVWA, geeft aan dat er waarschijnlijk de komende jaren geen houden meer aan is en dat de verwachting is dat deze muggen ook in Europees-Nederland voet aan de grond gaan krijgen (de situatie op de overzeese eilanden is anders, daar komen deze muggensoorten wel voor). Wat dan kan gebeuren is momenteel goed te zien in het zuiden van Europa, dat voorloopt: na de vestiging van Aedes albopictus zie we nu lokale uitbraken van bijvoorbeeld dengue of chikungunya, waarbij binnenkomende reizigers worden gestoken en daarmee lokale muggen infecteren die vervolgens een volgende persoon kunnen infecteren. Het kan dan ook geen kwaad om alvast een monitoringssysteem te hebben dat overzicht heeft over de aantallen importinfecties. Voor 2024 waren dat bijvoorbeeld 544 personen waarbij dengue virusinfectie werd vastgesteld en 20 met Chikungunya.  

Conclusie

Nederland, en daarmee Nederlandse zorgverleners hebben af en toe te maken met infectieziekten die afkomstig zijn van dieren, inclusief muggen en teken. De Staat van Zoönosen biedt een mooi overzicht van de meest gangbare zoönosen in Nederland, en achtergrondinformatie over ontwikkelingen elders in de wereld die in de gaten gehouden worden.

Zoektermen voor internet

Marion Koopmans, Preventie, viroloog, zoönosenstructuur Nederland, Signaleringsoverleg Zoönosen SO-z, Staat van Zoönosen 2024, vector-overdraagbare infecties, West-Nijl virus Nederland, tekenencefalitis virus, PDPC Erasmus MC, vogelgriep monitoring, tijgermug Nederland NVWA