Guus Schrijvers interviewt Leonard Geluk, algemeen directeur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Tussen aanhalingstekens staat de tekst van Geluk. Voor de cursief getypte tekst en de vragen is de redactie verantwoordelijk.
Inleiding van de redactie
Op 18 maart vonden de gemeenteraadsverkiezingen plaats. Sindsdien vinden in alle Nederlandse gemeenten onderhandelingen plaats over samenstelling en programma’s van de nieuwe colleges van B & W. Tegenwoordig gaat de helft van de gemeentelijke begrotingen uit naar het sociale domein, preventie en zorg. Dit is voor de redactie van de Nieuwsbrief reden om VNG-directeur Leonard Geluk te vragen naar suggesties ter plaatsing in de coalitie-programma’s, die in de komende maanden gereed komen.
Wat kunnen gemeenten in de komende vier jaar doen om de groei van de bestedingen voor Wmo- en Jeugdwettaken te verminderen zonder aan kwaliteit te verliezen?
“Het is een lastige opgave. De grootste kostenpost in de Wmo en Jeugdwet bestaat uit personele inzet. Minder uren inzetten betekent al snel dat minder inwoners geholpen worden of dat de kwaliteit onder druk komt te staan. Bovendien hebben gemeenten een wettelijke zorgplicht: we kunnen niet besluiten bepaalde groepen niet te helpen. En personeel structureel minder betalen is geen reële optie; dan verliezen we de mensen die dit belangrijke werk doen.”
Toch zijn er drie vragen die gemeenten kunnen helpen om zowel kwaliteit te verbeteren als kosten te beheersen. Eerste vraag: Doen we wat werkt?
“We moeten kritisch kijken naar de effectiviteit van onze interventies. Zijn er vormen van ondersteuning die weinig opleveren of onnodig duur zijn? Dan moeten we die vervangen door bewezen effectievere en/of goedkopere alternatieven. Gemeenten zetten bijvoorbeeld steeds vaker groepsaanpakken in bij veelvoorkomende problemen. Dat is niet alleen goedkoper, maar kan ook kwalitatief beter zijn doordat inwoners steun vinden bij l elkaar.”
De tweede vraag: Kunnen we duurdere zorg op termijn voorkomen?
“Preventie is complex: het is lastig meetbaar wat precies wordt voorkomen, en de maatschappelijke winst komt niet altijd terug in de gemeentelijke begroting. Bovendien kan een overvloed aan preventief aanbod juist leiden tot meer hulpvragen. Toch zijn er preventieve maatregelen die wél aantoonbaar kosten besparen. Denk aan het oplossen van schuldenproblematiek, wat stress in gezinnen vermindert en daarmee het beroep op jeugdhulp verlaagt.”
De derde vraag over kwaliteit en kosten: Kunnen we informele hulp versterken?
“Gemeenten investeren in mantelzorgondersteuning, zodat mantelzorgers hun belangrijke rol kunnen blijven vervullen. Ook zetten steeds meer gemeenten in op reablement: inwoners worden begeleid om niet alleen zelfredzamer te worden, maar ook samenredzamer met hun sociale netwerk. Daarnaast versterken we de sociale basis in wijken en dorpen. Als dat lukt, ontstaat er meer onderlinge hulp tussen inwoners, wat professionele inzet kan verlichten.
Maar er is ook een ongemakkelijke waarheid. De stijgende kosten in de jeugdhulp en Wmo zijn maar beperkt door gemeenten te beïnvloeden. De groeiende vraag komt voort uit bredere maatschappelijke ontwikkelingen: vergrijzing, toenemende mentale druk op jongeren, en veranderende verwachtingen van zorg. Gemeenten kunnen deze trends niet alleen keren. Daar is een gezamenlijke maatschappelijke inspanning voor nodig. En zolang de vraag stijgt, is het essentieel dat het Rijk zorgt voor passende randvoorwaarden: voldoende middelen en een werkbaar wettelijk kader.”
Ben je tevreden over wat erover preventie in het coalitieakkoord van de regering‑Jetten staat over taken van gemeenten?
“We zijn positief over de ambitie om te bouwen aan de gezondste generatie en om stevig te investeren in preventie en welzijn. Het is goed dat het coalitieakkoord erkent dat preventie moet lonen. Gemeenten werken al volop aan het toegankelijk maken van preventieve aanpakken in het hele land: van laagdrempelige steunpunten voor mentale gezondheid tot programma’s voor overgewicht en valpreventie voor ouderen.
Deze inzet sluit aan bij de Bouwstenen Gezondheid, Welzijn en Zorg die wij als VNG samen met maatschappelijke partners hebben opgesteld als inbreng voor het regeerakkoord. Daarin riepen we op om tempo te maken met de Gezonde Generatie, een vitale samenleving en een krachtige uitvoering van het Nationaal Preventieakkoord. De richting in het coalitieakkoord laat zien dat het kabinet bereid is om dat tempo te maken én, zo ga ik vanuit, deze preventieve taken duurzaam te verankeren, inclusief structureel voldoende middelen.”
In arme wijken daalt de vaccinatiegraad. Wat kunnen gemeenten daaraan doen?
“Gemeenten kunnen samen met de GGD gericht investeren in wijkgerichte voorlichting over vaccineren. Daarbij is het belangrijk om sleutelfiguren in de wijk te betrekken die vertrouwen genieten binnen specifieke groepen, zoals religieuze leiders of andere lokale rolmodellen. Zij kunnen het gesprek voeren op plekken waar inwoners toch al komen, zoals moskeeën, scholen, buurthuizen of sportverenigingen. De G4 werken al op deze manier en ontvangen hiervoor incidentele middelen.
Daarnaast moet voorlichting worden afgestemd op verschillende doelgroepen. Het gaat niet alleen om kwetsbare wijken; ook hoogopgeleide ouders laten hun kinderen soms minder vaccineren. De toegankelijkheid van priklocaties is eveneens cruciaal: dichtbij, laagdrempelig en op plekken die inwoners kennen, zoals de huisarts, school of het buurthuis.
Voor 2024–2026 heeft het Rijk 7 miljoen euro beschikbaar gesteld om de vaccinatiegraad in de G4 te verhogen via een fijnmazige, wijkgerichte aanpak. Het zou wenselijk zijn dat ook andere gemeenten met vergelijkbare uitdagingen extra middelen ontvangen.”
Ouderen willen graag geclusterd wonen. Wat zouden gemeenten kunnen bijdragen aan het bevorderen van zo lang mogelijk zelfstandig wonen van ouderen?
“Gemeenten hebben een breed palet aan taken die zelfstandig wonen ondersteunen. Denk aan Wmo‑voorzieningen zoals hulp bij het huishouden, woningaanpassingen, hulpmiddelen, dagbesteding, individuele ondersteuning en maaltijdvoorzieningen. Daarnaast investeren we in woningbouw, waaronder passende woonvormen voor ouderen.
Maar het begint bij bestuurlijke samenwerking. Gemeenten moeten intensief samenwerken met zorgkantoren, preferente zorgverzekeraars, woningcorporaties en zorg- en welzijnsorganisaties. Het zorgstelsel is complex en versnipperd; succesvolle woon‑zorgconcepten ontstaan alleen als bestuurders elkaar weten te vinden, vertrouwen opbouwen en durven werken met tijdelijke middelen en creatieve oplossingen.
De woningbouwopgave is groot en de voortgang is helaas traag, zeker bij betaalbare en sociale woningen. Daarom moeten we ook kijken naar oplossingen in bestaande wijken en complexen. Goede voorbeelden zijn Thuisplus- en Lang Leve Thuis flats, waar in bestaande seniorencomplexen veel sociale activiteiten worden georganiseerd en zorg wordt geleverd door een herkenbaar, vast team.”
Vind je dat gemeentebesturen moeten streven naar invloed op de spreiding van huisartsenposten, SEH’s en andere medische voorzieningen?
“Het is essentieel dat medische zorg dichtbij en toegankelijk is. Dat is nodig voor goede zorg, maar ook om inwoners te kunnen verwijzen naar ondersteuning in het sociale domein. Een sterke verbinding tussen zorg en sociaal domein is daarom cruciaal, en daar werken gemeenten samen met zorgpartijen hard aan.
Gemeenten hebben zeker belang bij de bereikbaarheid van zorgvoorzieningen, maar dat betekent niet dat zij erover beslissen. Net zoals wij niet willen dat zorgpartijen bepalen wat er in het sociaal domein gebeurt. Wat wél nodig is, is samenwerking: samen bouwen aan een samenleving waarin gezondheid centraal staat en toegang laagdrempelig is.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn hierover concrete afspraken gemaakt, waar we nu gezamenlijk uitvoering aan geven.”
Heb je tips voor aspirant‑wethouders die met de punten hierboven willen starten?
“Mijn belangrijkste advies: zoek actief de samenwerking op met collega‑wethouders in de regio. De opgaven in het sociaal domein, de zorg en het wonen zijn te groot en te complex om als individuele gemeente op te lossen. Regionale samenwerking biedt schaal, kennisdeling en slagkracht, en is daarmee een randvoorwaarde voor succes.”
Bedankt voor het interview
“Graag gedaan”
Over de geïnterviewde Leonard Geluk
Voordat Leonard Geluk op 1 april 2020 aantrad als algemeen directeur bij de VNG, was hij met name actief in de complexe wereld van de grote onderwijsorganisaties. Van 2014 tot 2020 was hij voorzitter van het college van bestuur van De Haagse Hogeschool. Uitgebreide ervaring als bestuursvoorzitter deed hij op als voorzitter van het college van bestuur van het ROC Midden Nederland in Utrecht (van 2009-2014). In Rotterdam, de stad waar Leonard opgroeide en nog steeds woont, was hij van 2004 tot 2009 wethouder Jeugd & Onderwijs, een functie die hij sinds 2006 combineerde met de functie van portefeuillehouder Jeugdzorg in de Stadsregio Rotterdam. Hij promoveerde in november 2025 op het onderwerp Onderzoekscommissies in zorg, welzijn en onderwijs.
De geïnterviewde kwam eerder aan het woord in de Nieuwsbrief:
- Het inlossen van de belofte van betere en efficiëntere Jeugdhulp (2022)
- VNG-directeur Leonard Geluk: “Gezondheidsbeleid gemeenten verdient stabiele financiering” (2024)
- Onderzoekscommissies in zorg, welzijn en onderwijs oordelen te makkelijk over moeilijke omstandigheden (november 2025)
Zoektermen voor internet
Guus Schrijvers, beleidsontwikkeling, Leonard Geluk VNG interview 2026, coalitieprogramma sociaal domein, kostenbeheersing Wmo Jeugdwet, preventie die loont gemeenten, reablement en samenredzaamheid, wijkgerichte vaccinatiegraad G4, woon-zorgconcepten ouderen, Thuisplus flats, AZWA afspraken gemeenten, Leonard Geluk promotie onderzoekscommissies.
