Door Guus Schrijvers en Robert Mouton, redacteuren van deze nieuwsbrief.
Besproken document:
- Kabinet Jetten, Voorjaarsnota 2026, Den Haag, 27 maart 2026, 282 pagina’s.
Inleiding
De hier te bespreken Voorjaarsnota bevat de begroting voor de jaren 2026 tot en met 2031 (=zes jaren) van de inkomsten en uitgaven van het kabinet Jetten. Die begroting is reëel. Dat wil zeggen de regering houdt geen rekening met prijs- en loonstijgingen. Op de derde dinsdag in september verschijnt de Miljoenennota. Die geldt alleen voor 2027 en houdt wel rekening met inflatie in dat jaar. Wie het langetermijnbeleid van het kabinet Jetten wil beoordelen, kan beter terecht in dit stuk dan in het haastig geschreven Coalitieakkoord en daaraan toegevoegde financiële bijlage. (Klik hier en hier voor een eerdere bespreking van beide stukken door de auteurs van onderstaande beschouwing). Dit geldt zeker voor de zorg. In de Voorjaarsnota krijgt het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA) wel grote aandacht, hetgeen niet het geval was in het coalitieakkoord.
Hieronder volgen eerst een algemene beschrijving van de meerjarenbegroting op pagina 1 tot en met 35 in De Voorjaarsnota 2026 en de spelregels daarbij. Daarna volgt een voorstel om het trendscenario in de Toekomst Verkenning Volksgezondheid en de Middellange termijn raming van de zorg 2027-2033 van het CPB beter te betrekken bij de Voorjaarsnota. Het stuk eindigt met een bespreking van enkele IZA/AZWA-punten uit bijlage 3. Wie alle opmerkingen over zorg en gezondheid wil lezen, raden we aan om op pagina’s 203 tot en met 223 de tabellen over zorg en de toelichting daarop te raadplegen. Hieronder volgt steeds een samenvatting van de Voorjaars- en andere nota’s. Cursief gedrukt staat ons commentaar daarop.
Algemene uitgangspunten van de voorjaarsnota
De volgende uitgangspunten pikten wij op uit de Voorjaarsnota. De nummering is van ons zelf:
- Het begrotingstekort is nu te hoog, maar blijft onder de Europese grens van 3% van het bbp. Met de kaders uit de Startnota koerst het kabinet op een lager tekort van 2,1% van het bbp in 2030. De Staatsschuld blijft de komende jaren onder de 50% van het bbp en daarmee ook binnen de Europese grenzen. De Staatsschuld mag een beetje omhoog en het begrotingstekort omlaag (p. 4).
Eens met dit uitgangspunt - Zorg, welzijn en overheid moet worden hervormd (p. 5).
Niet eens met dit uitgangspunt. Bezuinigen op zorg en hervormen daarvan gaan niet samen. Dit leert de serie in de Nieuwsbrief over de geschiedenis van de Zorgverzekeringswet (zie bijvoorbeeld aflevering 8) en haar voorgangers. - In het uitgavenkader zijn de afspraken over het maximale uitgavenniveau gedurende de kabinetsperiode vastgelegd. De conjunctuurgevoelige uitgaven worden buiten het uitgavenkader geplaatst voor de automatische stabilisatie van de begroting. Dit betreft ontwikkelingen bij de Werkloosheidswet (WW) en de Bijstandswet. De hoogte van het uitgavenkader wordt gedurende de kabinetsperiode aangepast aan de onafhankelijke indices voor loon- en prijsontwikkelingen van het CPB (p. 8).
Voorstel van onze kant: Zet de demografie gevoelige uitgaven ook buiten het uitgavenkader. Daarop hebben patiënten, zorgprofessionals en hun beleidsmakers geen invloed. Datzelfde geldt voor de conjunctuur. - Naar verwachting zet de economische groei door met 1,4% groei in 2026 en 1,1% in 2027. Na een relatief sterke economische groei in 2025 (1,9%) zal de Nederlandse economie de komende jaren naar verwachting gematigd verder groeien. De economische groei in 2026 wordt breed gedragen door consumptie, uitvoer en investeringen (p. 9).
Dit is een verouderd perspectief. Met de auteurs van de Voorjaarsnota zijn wij het wel eens dat de oorlog in het Midden-Oosten en de stijging van de energieprijzen tot een hoge algemene inflatie in de zorg gaat leiden. - De geraamde uitgaven binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw) zijn geactualiseerd op basis van de meest recente informatie van het Zorginstituut en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Deze bijstellingen resulteren in een totale meevaller van 599 miljoen euro in 2026 en een structurele meevaller van 582 miljoen euro ten opzichte van de ontwerpbegroting 2026 (p. 17).
Deze beide meevallers maken een verhoging van het eigen risico minder noodzakelijk. - De belangrijkste oorzaken van de stijgende zorguitgaven zijn de vergrijzing, de technologische ontwikkeling, hoger zorggebruik door hogere inkomens en de achterblijvende arbeidsproductiviteit in de zorg. Naast deze factoren gaan de komende periode verschillende maatregelen in die een drukkend effect hebben op de ontwikkeling van de zorguitgaven (p. 29).
De opmerking over achterblijvende arbeidsproductiviteit is te kort door de bocht. Volgens o.a. het RIVM, het CPB en internationale analyses (zoals The Lancet) groeit de zorgvraag door vergrijzing en chronische aandoeningen structureel sneller (±2–3% per jaar) dan de zorgarbeidscapaciteit in FTE (±0,5–1% per jaar), waardoor zonder productiviteitsverbetering en systeemverandering aanzienlijke personeelstekorten ontstaan. Aan de andere kant lukt het toch sectoren als ziekenhuizen en ggz om meer cliënten in behandeling te nemen bij een ongeveer gelijkblijvend bestand aan zorgprofessionals. Dit duidt erop, dat de arbeidsproductiviteit in de zorg wel toeneemt maar niet voldoende om in de groeiende zorgbehoeften te voorzien.
De Voorjaarsnota, het RIVM-trendscenario en de CPB-raming van de macrokosten
Sinds het verschijnen in oktober 2025 staat het basispad van het Centrale Planbureau (CPB) voor de groei zonder inflatie (oftewel de reële groei) van de nationale zorgkosten tot 2030 centraal in politieke beschouwingen binnen en buiten het parlement. Deze raming wijkt af van die in maart 2025 die drie jaar verder, tot 2033, vooruitblikt. Dit pad is het resultaat van reeds ingezet beleid, van bevolkingsgroei en van vergrijzing. In financiële termen komt dit basispad neer op een reële groei van de zorgkosten van 16 miljard euro, in procenten op 3,1%. Naast het basispad van het CPB, afkomstig uit de eerdergenoemde CPB-raming, komt het RIVM eens in de vier jaar ook met een trendscenario dat vergelijkbaar is met het basispad dat is opgenomen in de Toekomst Verkenning Volksgezondheid. Het RIVM hanteert dezelfde kostenraming als het CPB. Dit instituut is evenwel specifieker:
- Uitgesplitst naar doelgroepen zijn de sterkst groeiende sectoren de zorg aan dementerende ouderen en de zorg aan gehandicapten. Binnen de groep ouderen vertonen de 80-plussers de grootste zorgconsumptie.
- De grootste groei in zorguitgaven treedt op onder 80-plussers, doordat er in 2050 veel meer ouderen zijn.
- Zorguitgaven voor verstandelijke beperking en dementie stijgen het meest tussen 2022 en 2050.
- Het mantelzorgpotentieel neemt de komende jaren fors af en is in 2050 nog maar 40% van wat het in 2022 was. Zie ook voetnoot 12 in het SER-rapport Mantelzorg en Werk (2026).
Onze suggesties zijn:
Schuif de VTV en de meerjarenraming voor de zorg door het CPB in elkaar en gebruik ook data van de SER en van het Sociaal Cultureel Planbureau. Maak er een gezamenlijke publicatie van. Gebruik deze in de jaren 2026 – 2031 in de voorjaarsnota als basisstuk. Breid de Voorjaarsnota uit tot een echte meerjarenbegroting voor de macro-zorgkosten die worden betaald uit eigen bijdragen, zorgwetten en belastinggeld.
De Voorjaarsnota en het IZA/AZWA
Wij verzamelden de volgende opmerkingen over IZA/AZWA uit de Voorjaarsnota (p 203 -223)
- In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over het landelijk uitrollen van domeinoverstijgend indiceren. De opschaling vindt later plaats dan eerder gedacht, waardoor cumulatief 9 miljoen euro wordt kasgeschoven vanuit 2026 en 2027 naar 2028 en 2029.
Waarom vindt de opschaling later plaats dan gedacht? Waar zit de bottleneck? Moeten eerst wetten veranderd? Zie ook het recente artikel hierover in de Nieuwsbrief van Tomas van Berg, maart 2026. - De Regeling specifieke uitkering transformatiemiddelen IZA 2024-2027 ondersteunt gemeenten bij de uitvoering van transformatieplannen in de zorg. Deze middelen worden gefinancierd door transformatiemiddelen op de premiegefinancierde zorguitgaven over te boeken naar de begrotingsgefinancierde uitgaven via het SPUK.
Hoe gaat dit precies gebeuren? Het was toch onmogelijk ZVW-geld aan te wenden voor Gemeentetaken? Bestaat er nu een algemene oplossing voor dit probleem of alleen een specifiek voor het SPUK? Het Rijk financiert ook 5% van de ZVW en kan dus spelen met dit percentage (?). - Als onderdeel van de afspraken in het AZWA wordt in 2027 en 2028 circa 28 miljoen euro per jaar overgeheveld vanuit het Zvw-kader. Deze middelen worden ingezet voor tijdelijke maatregelen die op de ontwikkelagenda voor medische preventie staan. Over de eventuele structurele voortzetting van deze maatregelen is nog budgettaire besluitvorming nodig binnen de reguliere begrotingsprocessen. Hiervoor dient eerst voldoende bewijslast verzameld te worden over de effecten van de maatregelen conform de richtlijn passend bewijs voor preventie.
De richtlijn passend bewijs heeft nog geen status en is onderwerp van zware kritiek. Het nut van valpreventie is al aangetoond. - In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet tot en met 2035 middelen reserveert om de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) uit te voeren. In 2027 wordt 794 miljoen euro gereserveerd en in 2028 wordt er 709 miljoen euro gereserveerd. Vanaf 2029 tot en met 2035 wordt jaarlijks 230 miljoen euro gereserveerd.
Prima voornemen. Wat wij missen is het volgende: Tal van IZA/AZWA-plannen zijn bedoeld voor enkele jaren financiering. Daarna moet bij geslaagde plannen structurele inbedding worden geboden. Hoe gebeurt dat wettelijk en financieel? - De loon- en prijsontwikkeling over de IZA-transformatiemiddelen en AZWA-doorbraakmiddelen wordt alternatief ingezet. Dit is een ombuiging van 79 miljoen euro, verdeeld over de jaren 2026 tot en met 2028. De afgesproken bedragen aan transformatie- en doorbraakmiddelen blijven beschikbaar voor het oorspronkelijke doel.
Dit is een raar voorstel zonder argumentatie. De doorbraakmiddelen voor de plannen zijn alle voorzien van Kritische Prestatie Indicatoren. Natuurlijk zullen sommige plannen hun eigen KPI’s niet halen. Natuurlijk moeten die dan worden gekort. Maar het bij voorbaat schrappen van loon- en prijsontwikkelingen is onjuist.
Kortom
- De Voorjaarsnota bevat een aantal maatregelen die gezondheid, betaalbaarheid en toegang tot de zorg bevorderen. Maar over Zorgverzekeringswet, domeinoverstijgende indiceren en doorbraakmiddelen wordt weinig ingebracht dat steekhoudend is.
- De situatie in het Midden-Oosten zou er wel eens toe kunnen leiden, dat de voornemens in de Miljoenennota 2027 behoorlijk afwijken van die in deze Voorjaarsnota.
- Een laatste opmerking is nog op zijn plaats: de wetenschap, het zorgveld, de patiënt op de wachtlijst, de mantelzorger, de zorgmedewerker, de verzekeraar, de gemeente… iedereen ervaart al dat het aanbod achterblijft bij de vraag. En die zorgkloof neemt toe ondanks vele inspanningen. De gevolgen voor de zorg – en het gebrek eraan – van deze Voorjaarsnota worden niet geduid. Deze eenzijdige beleidsvorming leidt tot gezichtsbedrog: zowel naar de overheid zelf als naar het volk.
Zoektermen voor internet
Guus Schrijvers, Robert Mouton, beleidsontwikkeling, editorial, Voorjaarsnota 2026 samenvatting, kabinet Jetten zorgbeleid, AZWA financiering 2027, reële groei zorgkosten CPB, RIVM trendscenario zorg 2050, domeinoverstijgend indiceren vertraging, transformatiemiddelen IZA SPUK, eigen risico 2027 meevaller, zorgkloof Nederland 2030, begrotingstekort Nederland 2030.
