Paul van der Velpen interviewt René Héman, voorzitter KNMG.

KNMG, de organisatie van artsen, is een van de partijen die het Integraal Zorg Akkoord (IZA) niet steunt. Belangrijkste reden: het IZA gaat op het punt van preventie niet ver genoeg. René Héman, voorzitter KNMG: “Wij zijn als KNMG gericht op immateriële belangenbehartiging, wij gaan niet over de tarieven. We hebben bestudeerd wat IZA inhoudt en gezien dat het plan tekortschiet als je kijkt naar fundamentele oorzaken van de gezondheidszorg. Er is meer sturing op dit onderwerp nodig. We hebben een minister van medische zorg, een minister van langdurige zorg en een staatssecretaris die bezig is met preventie en GGZ, maar we missen  iemand die actief kijkt naar de fundamentele oorzaken van gezondheidsproblemen terwijl in artikel 22 van de Grondwet staat dat de overheid de volksgezondheid dient te bevorderen.” Héman schetst de visie van de KNMG en onderbouwt waarom het preventie-gehalte van het IZA te laag is. 

Maatschappelijke trends 

Allereerst wijst hij op maatschappelijke trends. “In 2040 is 25% van bevolking ouder dan 65. Deze vergrijzing  leidt tot een  complexere zorgvraag én de opdracht om onze bevolking langer gezond te houden. Je ziet ook dat we veel meer mensen in de zorg nodig hebben als we op dezelfde manier doorgaan. Volgens de SER 600.000 mensen extra in de zorg in 2040. Die hebben we niet. Nu al niet”.  

Een beweging met speerpunten 

De KNMG ziet de complexiteit van de toenemende zorgvraag voor de toekomst.  Héman licht een belangrijk speerpunt van de KNMG toe: integraal dokteren. Héman: “we weten al heel lang dat bestaansonzekerheid de bron is van veel ziekte. Het is de taak van gemeenten om dat aan te pakken. Zeker nu met de stijgende energiekosten. Dat doen niet alle gemeenten, en ook niet allemaal consequent. Daar moet de landelijke overheid bij aansluiten. Veel zaken komen in de zorg terecht omdat een aantal zaken buiten de zorg niet worden opgepakt. Het regenboogmodel van Dahlgren en Whitehead is al meer dan 30 jaar oud, maar nog steeds relevant. Alle factoren die invloed hebben op de volksgezondheid staan er in. Medische zorg is maar voor 11% van invloed. Het investeren in sociale omstandigheden heeft 24% invloed. En investeringen in het verbeteren van leefstijl hebben 36% invloed op de gezondheid. 

Voorop voor gelijke gezondheid 

In de beweging naar de toekomst is de ambitie van de KNMG dat de gezondheid van mensen onafhankelijk moet zijn van hun postcode. De aandacht moet verschuiven van leefstijl naar de fysieke en sociale leefomgeving (werk, wonen, voeding, etc.). Gebrek aan effectieve  aandacht hiervoor brengt steeds groter wordende sociaaleconomische gezondheidsverschillen met zich mee. 

De  KNMG pleit daarom voor drie zaken: 

  1. Het wettelijk vastleggen van gezondheids- en preventiedoelen. De sleutel tot meer gezondheid is om gezonde(re) keuzes te faciliteren in een gezonde(re) sociale en fysieke omgeving. Daarom moeten verschillende overheidsbeleidsterreinen, niet alleen volksgezondheid, zich bezighouden met gezondheid. We moeten naar Health in all policies; dus kijken naar factoren buiten het medisch domein die een belangrijke invloed hebben op de algemene gezondheid van de bevolking en daarop samenhangend beleid ontwikkelen. De voorkeur van Héman gaat uit naar een preventiewet, maar het zou ook in de wet publieke gezondheid kunnen. Héman: “In die wet publieke gezondheid, moet veel meer geregeld worden en dan loop je het risico op een langdurige besluitvorming ”.  
  2. Er moet een preventiecommissaris komen die net als een deltacommissaris verantwoording aflegt aan de Tweede kamer en onafhankelijk kijkt of beleidsbeslissingen zijn getoetst op gevolgen voor de gezondheid. Héman: “Ik geloof niet dat het goed is dit bij VWS neer te leggen, bovendien krijg je gedoe met andere ministeries. Ik vind dat elke beleidsbeslissing onafhankelijk getoetst zou moeten worden.  
  3. En er moet een preventie-budget komen. “Dit budget kan in de loop van de jaren groeien en over een periode van 20 jaar in evenwicht komen met het curatieve budget”. 

Er staan 5 preventieprogramma’s in het IZA: kansrijke start, valpreventie, welzijn op recept, ketenaanpak overgewicht kinderen en Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI).

“We zijn al gevraagd om aan die programma’s mee te werken. Maar gezien de ontwikkelingen die ons te wachten staan, moet er meer gebeuren. Ik wil voorkomen dat we in 2040, net als nu met de stikstofproblematiek, moeten zeggen: we wisten het wel, we hebben het gezegd, maar er is onvoldoende gebeurd. Je moet stappen zetten die parallel  lopen met wat er met het klimaat gebeurt. Je kunt een win win creëren. Zowel voor klimaat als voor gezondheid moet je bijvoorbeeld iets met fabrieken die de lucht vervuilen.”  

Jullie willen een integrale aanpak van preventie? 

“Je kunt preventie niet alleen bij artsen of in de zorg neerleggen. Ik denk dat je het integraal moet doen. Je kunt niet van een huisarts vragen een GLI aan te bieden als je niet zorgt dat ongezond voedsel uit de supermarkt verdwijnt. Dan biedt je als huisarts mensen met obesitas een Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI) aan maar dan krijg je ze weer terug omdat er in de buitenwereld niets is veranderd. Dan ben je als huisarts een roepende in de woestijn. Het heeft pas effect als je een integraal programma hebt waarbij activiteiten van de huisarts worden afgestemd met activiteiten die door de gemeente worden gefinancierd. Van kooklessen in achterstandswijken tot supermarktrondleidingen. Daar moet de landelijke overheid op aansluiten met landelijke maatregelen zoals b.v. btw op groenten en fruit verlaging, regelgeving t.a.v. bedrijfsleven. Dat kun je niet overlaten aan 344 gemeenten. Integraal, zowel in de zorg als er buiten zowel lokaal als landelijk. Je moet op al die punten aan de slag”.  

Conclusie 

De conclusie na dit gesprek is: de insteek van het IZA is te beperkt om de geconstateerde en voorspelde problemen in de volksgezondheid op te lossen. De KNMG pleit voor een beweging en een brede visie op gezondheid  waarbij beleidsmakers, bestuurslagen, professionals, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven gezamenlijk participeren, verantwoordelijkheid nemen en dragen en elkaar versterken.