Door Paul van der Velpen.
Willem van Mechelen: “we zouden in Nederland wel wat meer haast moeten maken met leefstijl-advies door artsen”
Steeds vaker, en uit meer verschillende monden, hoor je dat er meer geïnvesteerd moet worden in preventie. Ook ziekenhuizen willen een bijdrage leveren. Uit een brief van federatie van medisch specialisten aan het kabinet en een paper van federatie medisch specialisten blijkt de uitdrukkelijke wens om als ziekenhuiszorg een rol te spelen op het gebied van preventie. Een interessant initiatief is het leefstijlloket waarmee drie ziekenhuizen zijn gestart. Paul van der Velpen sprak er over met de initiatiefnemer Willem van Mechelen, emeritus hoogleraar bedrijfsgezondheidszorg en sportgeneeskunde bij Amsterdam UMC.
Hoe kwam je op het idee van het leefstijlloket?
Het is the story of my life. Ik ben sinds 1999 druk geweest met het bevorderen van gezond gedrag in de meest brede zin van het woord. Dat waren eerst interventies gericht op een grote populatie. Vanuit de gedachte van Geoffrey Rose dat het voor de volksgezondheid de meeste winst oplevert om met een grote groep een kleine verbetering te realiseren. Liever een kleine verlaging van BMI bij een grote groep, dan een grote verlaging bij een kleine groep. Het werkt wel, maar zodra wij als onderzoekers weg waren was het effect weer foetsie, met name omdat de kosten van de interventie tijdens het project werden gefinancierd vanuit dat project en na afloop niemand die kosten op zich wilde nemen.
Dus toen ben ik meer gaan denken aan selectieve preventie: je richt je op een doelgroep met een verhoogd risico, b.v. mensen met een hoog cholesterol. Dat werkt al wat beter. Ik werkte vanuit het perspectief van bedrijfsgezondheidszorg. Dan heb je mensen binnen één organisatie bij elkaar. Uiteindelijk was dat wat betreft structurele implementatie ook een lastige affaire. Maar we moeten wel wat doen. We hebben een onbeheersbaar zorgstelsel, mede als gevolg van demografische en epidemiologische ontwikkelingen. En als je in een ziekenhuis mensen behandelt, dan zit je aan het eind van het spectrum, ben je vaak aan het repareren wat aan de voorkant mis is gegaan. Daarom dacht ik: we moeten in het ziekenhuis een makelaarsfunctie inrichten waarbij patiënten voor wie dat nodig is en die dat zelf ook willen, verwezen kunnen worden naar een leefstijlmakelaar. Iemand die verstand heeft van gedragsverandering en die voor de patiënt zoekt naar een interventie binnen zijn of haar postcodegebied. Immers, een patiënt gaat niet voor leefstijlbegeleiding steeds naar het ziekenhuis, zeker niet als dat te ver van huis is. Leefstijlbegeleiding moet je dichtbij regelen.
Wie financiert het onderzoek?
ZonMw financiert een deel van het onderzoek. InHolland en twee van de drie deelnemende ziekenhuizen (Amsterdam UMC en het UMCG in Groningen) financieren ieder uit eigen middelen één promovendus. Het onderzoek is twee jaar geleden gestart en loopt tot eind 2024.
Is er veel belangstelling bij andere ziekenhuizen?
Er willen meer ziekenhuizen mee doen, maar gezien de opzet van het onderzoek (met een interventie-en een controlegroep) kan dat niet. Maar prima als ze zelf aan de slag gaan. Judith Jelsma is projectleider. Zij kan andere ziekenhuizen 1 of 2 keer te woord staan, adviseren. Maar we hebben geen budget om nieuwe initiatieven te helpen starten. Ons eerste belang is om dit onderzoek goed uit te voeren.
Voor welke doelgroep(en) hebben jullie gekozen?
We doen het in eerste instantie bij twee diagnosegroepen: patiënten die een cardiovasculair risicoprofiel hebben (b.v. pre-diabetes ) en artrosepatiënten. Vergelijk je het met de doelgroep die een Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI) krijgt aangeboden, dan heeft de doelgroep van het leefstijl-loket minder overgewicht. Bij de GLI ligt de grens bij een BMI van 30. Wij hebben gekozen voor een BMI van 27 en patiënten die roken, ongezond eten en/of te weinig bewegen. Ze voldoen niet per se aan de criteria van GLI maar hebben toch baat bij een gezonde leefstijl.
Wat is de eerste stap?
Als je het plan hebt en de financiën, dan is de eerste stap dat je interventies gaat organiseren. Een deel van de interventies kan worden gefinancierd vanuit de basisverzekering, zoals stoppen met roken en verwijzing naar de diëtist. Als het gaat om meer bewegen hebben we contact gezocht in de Amsterdamse regio met Sportservice Noord-Holland en in Groningen met het Huis voor de Sport. Zij zorgen voor bemiddeling richting beweeginterventies. Dus wat we hebben georganiseerd is een ecosysteem waarbij de leefstijlmakelaar op postcode niveau van de patiënt een passende leefstijlinterventie kan organiseren, rekening houdend met de wensen van die patiënt. Als de dokter zegt “je moet stoppen met roken”, maar de patiënt zegt “daar heb ik geen zin in, ik wil meer bewegen”, dan is dat prima. Er is vanuit de leefstijlmakelaar voortdurend laagdrempelig contact met de patiënt om te kijken hoe het gaat en er is feedback naar de hoofdbehandelaar.
Hoe gaan jullie de samenwerking tussen de stakeholders opzetten?
Er wordt een stichting opgezet door de Vereniging voor Sportgeneeskunde die een nationaal centrum start op het terrein van ‘Exercise is medicine’, dat deel uitmaakt van een Europees netwerk. Ik ben bij beide ontwikkelingen nauw betrokken.
Zijn er soortgelijke initiatieven in het buitenland?
Een goed voorbeeld is Zweden dat al jaren institutioneel in de weer is met het bevorderen van meer bewegen, ook in de gezondheidszorg. De resultaten zijn goed gedocumenteerd en positief. En in Engeland en Nieuw Zeeland kennen we de zogenaamde ‘green prescription’. We zouden in Nederland wat dit betreft wat meer ‘haast’ moeten maken met leefstijl-advisering door artsen.
Je bent ruim 25 jaar actief in dit veld, wat valt je op?
Wat je ziet is dat dit onderwerp opeens institutioneel veel aandacht krijgt. Op zich heel opmerkelijk, want de boodschap die ik verwoord is in die 25 jaar hetzelfde gebleven. In het begin zei ik dat dit soort interventies via de bedrijfsgezondheidszorg gedaan zouden moeten worden; dat werd door mijn collega’s als broodje aap versleten, want dit had in hun ogen niets met bedrijfsgezondheidszorg te maken. Dat is natuurlijk onzin, want ook een bedrijf heeft baat bij gezonde en fitte werknemers.
Dat er nu meer aandacht is voor preventie, klinkt positief.
Klopt. Dit is het goede nieuws. Het slechte nieuws is natuurlijk dat veel mensen helaas nog steeds vinden dat leefstijlinterventies puur een kwestie zijn van het individu zelf, en dat instituties zich daar niet mee hebben te bemoeien. Maar het is de context die gedrag stuurt. Zolang we die context niet collectief gaan aanpakken, linksom of rechtsom, dan is het lange termijneffect van al die goedbedoelde interventies gericht op het individu gedoemd te mislukken, omdat de hoeveelheid omgevingsdruk zo overweldigend is dat je daar geen weerstand aan kunt bieden. Het probleem is groter naarmate je inkomen en opleiding lager is. Hoogopgeleiden kunnen meer weerstand bieden tegen de verleidingen van alle dag; bovendien, als zij gezonde leefstijl moeten inkopen dan hebben zij genoeg koopkracht om dat te doen. Maar iemand met minder inkomen of opleiding kun je nauwelijks verantwoordelijk houden voor het feit dat hij goedkoop kilocalorieën inkoopt bij b.v. Kentucky Fried Chicken.
Hoe zie je dan je huidige initiatief, leefstijlloket richting die omgevingsdruk?
Die omgevingsdruk moet ook worden aangepakt. Wat we hopen is dat we over de band van dit project in gesprek komen met allerlei instellingen buiten het ziekenhuis die invloed hebben op die omgeving. Bijvoorbeeld; de Amsterdamse Sportraad adviseert het gemeentebestuur om maatregelen te nemen om bewegen te stimuleren. Of dat direct aanslaat is vers twee. Maar de dialoog hierover is gaande, en dat geldt voor veel meer. Uiteindelijk heb je politieke bereidheid nodig om de druk vanuit de ongezonde omgeving te verminderen.
