Door Jan Berndsen.  

Inleiding

Een jaar geleden interviewde Guus Schrijvers mij voor deze nieuwsbrief over deze Wlz openstelling. Citaat uit de inleiding van dit interview: “In 2015 ging de financiering vanuit de Wet Langdurige Zorg (WLZ, voorheen AWBZ) voor cliënten in de sector Beschermd Wonen over naar de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). In 2018 startte een lobby om cliënten waar het uitzicht op herstel nihil werd geacht én met een zeer intensieve 24-uurs zorgbehoefte (ZorgZwaarte Pakket 5) weer toegang te verschaffen tot de WLZ. De eerste inschatting destijds was dat het zou gaan om 9000 cliënten. Of deze lobby een gevolg is van het aflopen van een driejarige periode van het overgangsrecht vanuit de oude AWBZ, is niet duidelijk. Vanaf 2021 is de WLZ met deze vorm van zorg uitgebreid, waarbij indicaties voor de rest van het leven worden afgegeven.” Nu is door een extern bureau (HHM) een evaluatie gedaan van deze overgang.

Probleemstellingen, gehanteerd mens- en maatschappijbeeld en beoordeling van oplossingen zijn in de evaluatie verborgen en onjuist.

De recente evaluatie van de openstelling van de Wlz voor mensen met een psychische aandoening schetst een opvallend geruststellend beeld. Wie het rapport leest, krijgt al snel de indruk dat het beleid zorgvuldig is ingevoerd, breed wordt gedragen en in de praktijk goed uitpakt. Maar onder dit beeld van bestuurlijke rust schuilt een ongemakkelijke werkelijkheid: dit rapport kijkt vooral achteruit – en nauwelijks vooruit.

Wat vooral opvalt, is het taalgebruik. Die ademt een klassieke, bijna nostalgische benadering van de geestelijke gezondheidszorg: rust, reinheid en regelmaat. Begrippen die we kennen uit een tijd waarin stabiliteit belangrijker was dan ontwikkeling, en waarin zorg al snel overging in verblijf. Het is wrang dat juist in een tijd waarin herstel, eigen regie en maatschappelijke participatie centraal zouden moeten staan, deze taal weer dominant lijkt.

Nog opvallender is wat níet wordt gezegd. De oorspronkelijke aanleiding voor de openstelling van de Wlz – namelijk dat zware GGZ-zorg binnen de Wmo en Zvw structureel onvoldoende werd gefinancierd – verdwijnt naar de achtergrond. Terwijl juist dat probleem de kern raakt van de hele beleidswijziging. Door dit nauwelijks te benoemen, wordt de indruk gewekt dat de overgang vooral een logische systeemstap was, in plaats van een noodgreep.

Hetzelfde geldt voor herstelgericht werken. Het begrip komt amper terug in de evaluatie. Dat is niet zomaar een omissie, maar een fundamentele blinde vlek. De afgelopen decennia is de GGZ juist ontwikkeld in de richting van herstelondersteuning: mensen helpen om, ondanks hun kwetsbaarheid, een betekenisvol leven te leiden. De Wlz, met zijn nadruk op langdurigheid en zekerheid, staat daar op gespannen voet mee. Juist daarom zou je verwachten dat dit spanningsveld centraal staat in de evaluatie. Dat gebeurt niet.

Ook de keuze voor een levenslange indicatie blijft opmerkelijk onbesproken. Wat betekent het voor mensen om in een systeem terecht te komen waar uitstroom geen vanzelfsprekendheid meer is? Wat doet dat met perspectief, met motivatie, met identiteit? De risico’s van institutionalisering zijn bekend, maar worden hier nauwelijks gewogen.

Financiële belangen belangen worden onvoldoende geduid

De rol van gemeenten wordt eveneens opvallend mild behandeld. Dat armlastige gemeenten relatief meer cliënten hebben overgedragen aan de Wlz wordt genoemd, maar niet kritisch geduid. Evenmin is er serieuze aandacht voor het feit dat sommige gemeenten financieel voordeel hebben gehad van deze overdracht. Dat wringt, zeker wanneer tegelijkertijd wordt gesuggereerd dat terugkeer naar de Wmo vooral stokt door een gebrek aan kennis in het WMO domein. Dat is een wel erg vriendelijke interpretatie. Het is minstens zo aannemelijk dat gemeenten – om begrijpelijke redenen – terughoudend zijn om deze verantwoordelijkheid weer op zich te nemen. Er zijn in deze periode enkele honderden miljoenen heen en weer geschoven en opgeplust. Deels doordat er bij de start in 2021 600 miljoen uit het WMO budget vanuit de gemeenten is overgeheveld naar het Rijk/Zorgkantoren/WLZ. Daarmee bleef naar schatiing 1 miljard achter bij de gemeenten. Naar schating is er daarna nog voor 1 miljard bijgeplust door het Rijk. In een periode waar het Ravijnjaar ‘26 steeds nadrukkelijker aandacht kreeg en de druk op het Rijk werd opgevoerd. Bijzonder is dat dit in z’n geheel niet wordt genoemd in de notitie.

Geen scherpte, diepgang en perspectief

Daarmee raakt de evaluatie aan een bredere zwakte: kritische observaties worden wel genoemd, maar zelden echt op doorgepakt. Bezwaren worden gerelativeerd (“dat is ook maar een mening” of “daar zou in toekomst nog aan gewerkt kunnen worden”), terwijl positieve geluiden ruim baan krijgen. Het rapport lijkt geschreven met het oog op bestuurlijke verhoudingen: niemand mag zich echt aangesproken voelen. Dat is begrijpelijk, maar het gaat ten koste van de inhoudelijke scherpte.

Misschien wel het meest zorgwekkend is het ontbreken van een langetermijnperspectief. De evaluatie kijkt vooral naar hoe het nú gaat, en hoe betrokken partijen het ervaren. Maar wat betekent deze ontwikkeling over tien of twintig jaar? Wat doet dit met de omvang van de Wlz, met de kosten, met de beweging richting inclusie en participatie? Met WLZ indicaties voor de rest van het leven! Die vragen blijven liggen.

Terug in de tijd

In dat opzicht heeft het rapport iets ongemakkelijk vertrouwds. Het had, met kleine aanpassingen, ook geschreven kunnen worden in de jaren ’80, bij de overgang van gemeentelijk en provinciale financiering naar de AWBZ. Ook toen leek het logisch om zorg te bundelen en zekerheid te bieden. En ook toen werd onderschat wat langdurige opname en institutionalisering met mensen kan doen. De herstelbeweging die daarna op gang kwam, kwam niet voor niets.

Het is dan ook moeilijk om deze openstelling van de Wlz te zien als een stap vooruit. Eerder voelt het als een pas op de plaats – of zelfs een stap terug. Niet omdat de Wlz geen waarde heeft, maar omdat de onderliggende principes van de moderne GGZ er onvoldoende in worden meegenomen.

Als innovatie in de zorg ergens over moet gaan, dan is het over het vasthouden van perspectief: op herstel, op ontwikkeling, op deelname aan de samenleving. Een systeem dat dat perspectief niet actief ondersteunt, hoe goed bedoeld ook, loopt het risico precies datgene te ondermijnen wat het zou moeten versterken.

Kortom

De vraag is dus niet of de openstelling van de Wlz ‘werkt’ in systeemtermen. De vraag is of zij bijdraagt aan het leven dat mensen willen leiden. Op die vraag geeft deze evaluatie nog geen overtuigend antwoord.

Over de auteur 

Jan Berndsen werkt ruim 40 jaar in de GGZ, en was tot eind 2020 bestuurder bij Lister, een van de grootste beschermd wonen-instellingen in Nederland. Daarna startte hij zijn eenmanszaak Blauwe Paard Advies op.

In 2022 richtte hij het netwerk Het Blauwe Paard op. Hij is nu onder andere adviseur bij het Instituut voor Positieve Gezondheid, en voorzitter van SUPRANET GGZ

In 2023 en 2024 was hij Bestuurlijk Aanjager om in opdracht van VWS de enorme instroom in de WLZ kritisch te beschouwen en in overleg met het veld proberen in te dammen.

Hij adviseert tal van instanties en instellingen over de regelgeving voor personen met een ernstige psychiatrische aandoening en/of met onbegrepen gedrag. In de afgelopen jaren publiceerde hij regelmatig in de Nieuwsbrief Zorg en Innovatie. Klik voor enkele van zijn artikelen hier en hier. Jan is bereikbaar via LinkedIn en via de mail op janberndsen@blauwepaard.nl 

Zoektermen op internet:

Jan Berndsen, patientenaspecten, Evaluatie openstelling Wlz GGZ 2026, bureau HHM rapport Wlz psychische aandoening, kritiek herstelgericht werken Wlz, levenslange indicatie GGZ risico’s, financiële overdracht Wmo naar Wlz, Ravijnjaar 2026 gemeenten zorg, institutionalisering GGZ 2026, Zorgzwaartepakket 5 GGZ, herstelondersteuning vs verblijfszorg, Guus Schrijvers nieuwsbrief zorg.