Paul van de Velpen en Guus Schrijvers interviewen directeur Volksgezondheid Eva van Velzen en wethouder Eelco Eerenberg, beide werkzaam voor de stad Utrecht.
Besproken document: H Kruize H, J Hin en B Staatsen, Kwetsbaarheid en kansen in de stapeling van omgevingsfactoren, RIVM, 2025
Er is een sterke relatie tussen de fysieke omgeving en de volksgezondheid. Al meer dan een eeuw ligt hier een wettelijke taak voor de overheid. De woningwet van 1901 verplichtte gemeenten om gezonde woningen te bevorderen – met eisen aan licht, lucht, riolering en ruimte. Maar gezondheid gaat verder dan de woning zelf: ook de aanwezigheid van groen, speelruimte, stilte, schone lucht en water zijn bepalend voor welzijn en gezondheid van mensen. Het RIVM beschrijft in het recente rapport Kwetsbaarheid en kansen in de stapeling van omgevingsfactoren hoe gezondheid en ruimtelijke inrichting met elkaar samenhangen, en biedt handvatten voor beleidsmensen en bestuurders om een gezondere leefomgeving voor iedereen te creëren. Volgens de auteurs wordt gezondheid nu nog onvoldoende meegenomen in ruimtelijk beleid, waardoor kansen blijven liggen. “De keuzes van vandaag voor waar we bouwen, wonen, werken en recreëren, bepalen waar stapeling van omgevingsfactoren en kwetsbaarheid ontstaat. Zorgvuldige ruimtelijke afwegingen zijn daarom essentieel voor de gezondheid van de Nederlandse bevolking”, aldus de auteurs. Twee afbeeldingen in het rapport springen eruit. Dat is ten eerste figuur 5 in het RIVM-rapport. Dat geeft aan dat bewoners in achterstandswijken (wijken met een laag huishoudinkomen) meer last hebben van stikstofdioxide en geluidsbelasting. Deze wijken zijn ook meer versteend en dus hitte gevoeliger, en hebben daarnaast relatief veel fastfood vestigingen. De tweede opmerkelijke figuur is hieronder afgedrukt. Deze toont de instrumenten voor een gemeente die gezonde wijken wil creëren:

De praktijk in de gemeente Utrecht aan het woord
In plaats van een recensie over het RIVM rapport spraken we met twee personen die de verbinding tussen gezondheid en ruimtelijke ordening in de praktijk vormgeven: Eelco Eerenberg, wethouder van de gemeente Utrecht met zowel de portefeuille ruimtelijke ordening als de portefeuille volksgezondheid, en Eva van Velzen, directeur volksgezondheid van dezelfde gemeente. De afdeling volksgezondheid in de gemeente Utrecht doet gezondheidsonderzoek, gezondheidsbevordering, adviseert binnen de gemeentelijke organisatie en biedt diensten aan inwoners aan, onder andere jeugdgezondheidszorg.
Wat hebben jullie aan het RIVM-rapport?
Eva van Velzen (EvV): “Het rapport bevestigt veel van wat we in Utrecht al langer zien en waar we op inzetten. Dat is goed om te lezen. Het rapport is gebaseerd op data die wij ook gebruiken. In feite brengt het vooral zaken bij elkaar die we in Utrecht al vanzelfsprekend vinden – al betekent dat niet dat we alles al hebben bereikt.”
Eelco Eerenberg (EE): “Het is een handzaam rapport – 32 pagina’s, dus voor een wethouder die veel moet lezen een verademing. Natuurlijk bevestigt het veel van wat we al doen, maar het is waardevol dat het RIVM dit opnieuw onderstreept. Dat mensen gezond moeten eten en bewegen, weten we allemaal. Maar dat je óók de leefomgeving gezond moet maken, is voor velen nog een ver-van-mijn-bed-show. In dat opzicht helpt het rapport om sceptici te overtuigen.”
Eén wethouder voor ruimtelijke ordening en volksgezondheid: werkt dat?
EE: “Dat is ontzettend nuttig. Je kunt een stad, een wijk zo ontwerpen dat die de gezondheid bevordert. Omdat ik beide portefeuilles heb, kan ik erop toezien dat gezondheid wordt mee genomen bij ruimtelijke ontwikkeling. Volksgezondheid speelt ook een rol bij mobiliteit- dat valt onder een andere wethouder, maar ook die vindt dit belangrijk. Als je met de bril van volksgezondheid naar de stad kijkt, ontwerp je anders, en gebruiken mensen de stad anders. Als je een slimme fietsinfrastructuur hebt, dan gaan er meer mensen op de fiets- goed voor gezondheid én milieu.
Een ander voorbeeld. Je kunt wijken zo ontwerpen dat mensen naar buiten gaan, zich gezonder gedragen door de omgeving beweegvriendelijker te maken. Informeel sporten in de openbare ruimte wordt steeds gebruikelijker. Ook weten we dat stilte, rust en minder geluidshinder bijdragen aan gezondheid. Daarom hanteert Utrecht eigen normen bij woningbouw voor geluidsoverlast. We hebben ook als norm dat elke woning een geluidsluwe zijde moet hebben. Daarom bouwen we nieuwe huizen vaak in carrévorm, met binnentuinen waar de slaapkamers aan grenzen. Dat zorgt voor rust en beter slapen. Zulke keuzes laten zien dat de combinatie van ruimtelijke ordening en volksgezondheid echt bijdraagt aan een gezonde stad.”
EvV: “Wat ook belangrijk is, is dat in Utrecht gezondheid al jaren hoog op de agenda staat. Gezond stedelijk leven voor Iedereen is een breed gedragen visie binnen het ambtelijke en bestuurlijke apparaat. Om dit doel te bereiken wordt op ambtelijk niveau veel samengewerkt tussen het fysieke domein en het sociale domein. Dat samenwerking essentieel is, zoals in het RIVM-rapport staat, onderschrijf ik helemaal. Daar zijn we in Utrecht al langer mee bezig. Binnen de afdeling volksgezondheid bestaat al tien jaar het team Gezonde Leefomgeving. Die medewerkers zitten diep in de haarvaten van de ambtelijke organisatie en zijn onderdeel van alle gebiedsteams van het ruimtelijk domein. Daar brengen ze gezondheidsaspecten in bij de uitwerking van plannen. De grootste uitdaging blijft de schaarste aan ruimte en de vele belangen die elkaar raken. In veel gemeenten kijken mensen met interesse naar de rol van ons team Gezonde Leefomgeving. Zij zien de meerwaarde van die samenwerking.”
Wordt de gezondheidsbevorderaar in die samenwerking gezien als lastpak of als waardevolle partner?
EvV: “Beide, eerlijk gezegd. Soms worden we als lastig ervaren, bijvoorbeeld als we wijzen op wettelijke normen die de volksgezondheid beschermen, zoals geluidsnormen. De spanning die dit oplevert, wordt in het RIVM-rapport goed beschreven. Soms zeggen we: dit is misschien niet wettelijk vastgelegd, maar vanuit gezondheidsoogpunt is het gewoon onverstandig. Dan proberen we samen tot een voorstel te komen. Dat gaat bijvoorbeeld over afstand tussen gebouwen en een snelweg. De druk op de woningmarkt is hoog, maar moet je dan dicht bij een snelweg gaan bouwen?
Wat het werken in Utrecht zo leuk maakt, is dat iedereen dezelfde ambitie deelt: een mooie stad bouwen waar mensen prettig kunnen wonen en leven. Onze inbreng vanuit volksgezondheid wordt gewaardeerd. Als we bijvoorbeeld nagaan of kinderen voldoende speelruimte hebben, wordt dat enthousiast ontvangen. In Utrecht is een instrument ontwikkeld dat alle ambtenaren kunnen gebruiken: de “Utrechtse Barcode (klik hier en hier). Dat is een hulpmiddel om ruimtelijke keuzes in balans te houden bij de groei van de stad. De Barcode maakt deel uit van de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040. De code bevat streefnormen voor onder andere groen, voorzieningen, infrastructuur, energie en water. Door een onderdeel te veranderen worden meteen de gevolgen op de andere delen zichtbaar. Zo zorgen we ervoor dat woningbouw niet losstaat van andere functies. Het gaat niet alleen om aantallen, maar om kwaliteit: toegankelijkheid, biodiversiteit en of voorzieningen echt aansluiten bij wat mensen nodig hebben. De barcode helpt om plannen te toetsen, keuzes te maken en transparantie te bieden, maar natuurlijk blijft er de uitdaging van schaarste aan ruimte om alle ambities te behalen.”
Utrecht staat voor de beslissing, gezien het tekort aan woningen, om de stad te verdichten: meer verdiepingen op heel veel huizen. Hoe verhoudt zich dit tot volksgezondheid?
EvV: “Wij zijn een kleine afdeling binnen een grote gemeentelijke organisatie. Daarom moeten we slim agenderen om impact te hebben. We brengen geen grote zak geld mee, maar wel kennis en expertise. Samen met collega’s hebben we het thema Gezond Verdichten op de kaart gezet. Daar wordt nu meer over gedacht en gesproken. Dat is belangrijk in de huidige woningbouwopgave.”
EE: “Verdichting is één van de thema’s waar ik veel mee bezig ben. We kampen met woningnood, en geen woning hebben is ook slecht voor de gezondheid. Dus we moeten bouwen – en compact bouwen biedt zelfs kansen. Zo blijft er meer ruimte over voor groen, sport en spel, zaken die het RIVM-rapport terecht als cruciaal voor de volksgezondheid benoemt. Maar het moet wel in harmonie gebeuren. Dit gaat eigenlijk best goed. De uitdaging zit in ontmoeting en samenleven. Als je hoog en gestapeld bouwt, moet je actief organiseren dat mensen elkaar kunnen ontmoeten. In Leidsche Rijn bouwen we nu voor het eerst hoger dan de Dom – duizend huishoudens boven elkaar. Dan rijst de vraag: hoe zorg je dat mensen daar prettig samenleven? Dat gaat niet vanzelf. Ontmoeting hoeft niet altijd op straatniveau plaats te vinden, want dat is voor sommige mensen gewoon te ver als je hoog bovenin woont.”
Het RIVM-rapport verwijst regelmatig naar Amsterdam. Doet Utrecht het beter of slechter dan Amsterdam op gebied van ruimtelijke ordening en volksgezondheid?
EE: “Wat betreft het resultaat weet ik het niet. Ik weet wel dat zowel Utrecht als Amsterdam bovengemiddeld veel werk maken van de relatie volksgezondheid en ruimtelijke ordening. Elk met eigen accenten. Ik weet dat Amsterdam wat meer doet op bijvoorbeeld de voedselomgeving. Terwijl wij, denk ik, meer inzetten op groen in de buitenruimte.“
EvV: “Het goede van het rapport is dat er verschillende data aan elkaar worden gekoppeld, dat gebeurt in een vlekkenmodel. Per vlek, stukje van de stad, wordt gekeken naar zowel sociale aspecten als de fysieke omgeving. Daarbij wordt inderdaad verwezen naar Amsterdam, maar in Utrecht hebben we die data ook. Als je bijvoorbeeld kijkt naar verdichting dan zie je dat de groei van Utrecht enerzijds wordt gerealiseerd in een hele nieuwe wijk, Rijnenburg, maar anderzijds ook in de bestaande stad. En wat je dan ziet is het volgende. Veel nieuwbouw is geprogrammeerd in wijken waar we kwetsbaarheid en gezondheidsverschillen zien. Dat hebben we wel eens als een ‘band’ van nieuwbouwprojecten van noord naar zuid, over de bestaande (kwetsbare) wijken in een figuur gezet. Om daarmee het belang te benadrukken dat nieuwbouw kansen biedt om in kwetsbare wijken verbeteringen te realiseren. Omdat er nieuwe faciliteiten, voorzieningen en groen mee ontwikkeld worden, waar dan – als het goed doordacht is – de bestaande, kwetsbare bewoners ook gebruik van kunnen maken. Dat maken we als afdeling volksgezondheid dan zichtbaar.”
Welke beleidsinstrumenten zouden jullie als gemeente willen hebben? Op welke manier zou het Rijk kunnen helpen bij het doorzetten van jullie beleid?
EvV: “Er zijn zaken waar we als gemeente meer invloed op zouden willen hebben. Dat is in elk geval de voedselomgeving. Een van de grafieken in het rapport geeft aan dat hoe lager het gemiddelde inkomen is in een buurt, hoe meer fastfoodketens er zijn. Je hoeft geen epidemioloog te zijn om te zien dat er een verband is. Als gemeente zou je graag willen ingrijpen, maar dat is nu heel ingewikkeld. We hebben de data om het zichtbaar te maken, we kunnen het probleem signaleren maar we hebben echt het Rijk nodig om bevoegdheden te krijgen om sturender op te treden. Vanuit de Citydeal Gezonde en Duurzame Voedselomgeving hebben diverse steden waaronder Amsterdam, Utrecht, Rotterdam en Den Haag het Rijk daartoe opgeroepen. Er wordt aan een voedselwet gewerkt.
En verder: We hebben wel kaarten ontwikkeld voor de voedselomgeving. Die identificeren ongezond voedselaanbod in de stad. In het algemeen kunnen we best wat doen als gemeente, maar we hebben het Rijk nodig voor wetgeving. Dat gaat verder dan het fysiek domein, we wachten ook nog op de suikertaks en dat soort wettelijke maatregelen.“
EE: “Daar ben ik het helemaal mee eens. Als ik naar mijn RO instrumentarium kijk, dan mag ik bijvoorbeeld wel sturen op geluidsbelasting, op geuroverlast of uitstoot van ongezonde stoffen. Zaken die correleren met gezondheid, maar ik heb geen invloed op de voedselomgeving. Als je het aantal verleidingen weet te beperken, weet je ook dat mensen over het algemeen zich gezonder zullen gedragen. Mensen hebben nu geen (gezonde) keuze. Die keuzevrijheid, de balans in gezond en ongezond voedselaanbod, zou je als gemeente willen kunnen sturen. Daar ontbreekt echter het instrumentarium voor.
Een andere maatregel waarmee we als gemeente geholpen zouden zijn, is als het mogelijk wordt om te gaan werken vanuit het uitgangspunt “shared savings”. Veel van de investeringen die wij als gemeente doen in het fysieke domein, maar ook in het sociale domein leveren besparingen op in de portemonnee van anderen. Bijvoorbeeld van de zorgverzekeraars. Als we dat geld nou weer zouden kunnen investeren in preventie, dan bouwen we een zichzelf versterkend systeem. Ik snap dat dat ingewikkeld is, maar het is wel een interessante richting. Ik denk dat we “shared savings” steviger op de agenda moeten zetten.”
Veel ouderen, ook in Utrecht, zijn bereid om te verhuizen. Dan komen er woningen vrij voor jongeren die een gezin willen stichten. In Utrecht is vooral aandacht voor woningbouw, maar minder voor de verhuisbereidheid van ouderen.
EE: “Ik denk dat jullie observatie klopt. We hebben te maken met vergrijzing en senioren willen langer zelfstandig blijven wonen, maar zijn wel bereid te verhuizen. In het land heet dit soms Knarrenhof. Het idee is dat mensen dan meer naar elkaar gaan omkijken, en er een soort gemeenschap ontstaat. Dat zal ook op zorgkosten besparen en maakt bovendien woningen voor jonge gezinnen vrij.”
Willen jullie nog wat zeggen tegen de lezers van de nieuwsbrief? Dat zijn 12.500 leidinggevenden, vooral in de zorg en ook wel een beetje in het welzijnsdomein?
EE: “De Dijk heeft een liedje uit 2002 . Dat heet Ga in mijn schoenen staan. Ik denk dat we nog heel veel over elkaar praten of nog heel vaak het idee hebben dat het domein van de ander geen bijdrage levert aan je “eigen” domein. Nog veel vaker zouden mensen met een medische achtergrond kennis moeten maken met mensen uit het gemeentelijk of sociaal domein. En omgekeerd. Dat klinkt heel “soft”, maar ik denk echt dat we het gesprek moeten voeren over hoe we “de zorg” houdbaar kunnen houden, anders loopt het vast. We hebben een traditie in ons land van polderen en samenwerken. Als we dat op dit grote vraagstuk kunnen plakken, dan kunnen we hem ook op tijd oplossen. Daar ben ik van overtuigd.”
Paul van der Velpen/Guus Schrijvers
“Dank voor het interview.“
EvV/EE
“Graag gedaan”
Over de geïnterviewden
Eelco Eerenberg (D66) is sinds 19 december 2019 wethouder in Utrecht. Hij is verantwoordelijk voor de portefeuille Ruimtelijke Ontwikkeling, Onderwijs en Volksgezondheid. Verder is hij wijkwethouder voor de wijk Leidsche Rijn. Eerenberg is tevens lid van de VNG-commissie Zorg, Jeugd en Onderwijs. Eerenberg is bereikbaar via: e.eerenberg@utrecht.nl
Eva van Velzen is sinds mei 2024 directeur Volksgezondheid bij gemeente Utrecht. Zij is arts M&G, opgeleid in het Verenigd Koninkrijk, waar zij in 2012 een grote transitie meemaakte van het public health systeem, gericht op oa betere samenwerking tussen afdelingen volksgezondheid en ruimtelijke ontwikkeling (voor geïnteresseerden zie: Public health in local government: Celebrating 10 years of transformation | Local Government Association) Van Velzen is bereikbaar via: eva.van.velzen@utrecht.nl
Zoektermen voor internet
Guus Schrijvers, Paul van der Velpen, beleidsontwikkeling, preventie, Eelco Eerenberg, Eva van Velzen, Utrecht, leefomgeving, volksgezondheid, ruimtelijke ordening
