Door Karel-Peter Companje, medisch historicus.
Roodvonkepidemieën en verpleging
De ontwikkeling van een vaccin tegen het coronavirus was een moeizaam karwei. Een vroeger voorbeeld van een epidemie met onderzoek naar een geschikt vaccin is de zorg bij de roodvonkepidemie in 1927‑1929.
Roodvonkepidemieën kwamen lokaal, landelijk en als pandemie op wereldniveau voor. In 1873 was er een epidemie op het Zeeuwse Walcheren en in 1915 velde een epidemie tientallen doden in Breda. Op wereldschaal steeg het aantal bekende besmettingen als kleine pandemie snel van 473.328 in 1922 tot 896.084 in 1929. Daarbij moest rekening worden gehouden dat de aangifte- en sterftestatistiek niet altijd even goed in orde zijn. De toename was in Europa volgens de statistieken het grootst. De morbiditeit in Nederland per 1000 inwoners steeg door roodvonk van 197,2 in 1927 tot 202,8 in 1929.
Evenals bij corona werd bij roodvonk een streng quarantainebeleid toegepast. Dit gebeurde in gemeentelijke barakken en in ziekenhuizen. De kosten van verpleging waren hoog. Quarantaine in gemeentelijke barakken werd gefinancierd uit de Armenwet en kwam ten laste van de gemeente. De verpleegduur was gemiddeld 42 dagen. Amsterdam was in 1927 al 250.000 gulden extra aan verpleegkosten kwijt.
Verzorging in ziekenhuizen kon worden vergoed door ziekenhuiskostenverzekeraars. Het Roomsch Katholiek Verplegingsfonds te Alkmaar betaalde maximaal 30 dagen verpleging in het st.-Elisabethziekenhuis. In 1928 vergoedde het fonds 510 en in 1929 902 verpleegdagen. De meeste verpleegden waren kinderen. Het fonds stond in 1929 op de rand van faillissement. Effectieve behandeling zou de kosten voor gemeenten en verzekeraars kunnen verlichten.

Therapieën tegen roodvonk
In deze periode werd geëxperimenteerd met verschillende therapieën. In de stad Groningen werden tijdens de epidemie vijfhonderd patiënten behandeld met aspirine, salicyltherapie en injecties met epinefrine.
F.S.P. van Buchem, assistent bij de kliniek van de Groningse Universiteit, constateerde dat toediening van salicyl en aspirine de pijn en zwellingen in de gewrichten en bijverschijnselen als endocarditis deed verminderen, maar dat bij het stoppen alle verschijnselen weer terugkwamen. Injecties met pilocarpine of epinefrine werden bij kinderen aanbevolen om hooge temperaturen te verlagen. Van de vijfhonderd Groningse patiënten overleden er drie, een laag aantal. De verpleegduur was gemiddeld vijf tot zeven weken.
Vaccinatie tegen roodvonk met een serum was mogelijk en werd toegepast. Het Amerikaanse echtpaar G.R.H. en G.F. Dick werkte in de twintiger jaren aan een vaccin dat op wereldschaal werd uitgetest. In 1928 werd het als standaardvaccin tegen roodvonk door de gezondheidsorganisatie van de Volkenbond erkend.

Vaccinatie tegen roodvonk in Nederland
In Nederland waren de meningen over het vaccin verdeeld. Evenals bij het huidige coronavirus mogen wij het niet a priori voor uitgesloten houden, dat de bijzondere pathogeniteit van den roodvonkstreptococcus een kenmerkende eigenschap is, waardoor het vaccin mogelijk onbetrouwbaar was.
In het Utrechtse Hoogland vertrouwde het gemeentebestuur het vaccin en besloot in 1929 kinderen vrijwillig te laten vaccineren. De ervaring heeft geleerd dat deze inspuiting voor de kinderen slechts geringe lasten oplevert, terwijl na de inspuitingen het aantal voorgekomen roodvonkgevallen aanzienlijk is verminderd.
In Groningen werd echter geconstateerd dat de zeer wisselende percentages van de verwikkelingen bij de beoordeling van de resultaten met anti-roodvonkserum tot voorzichtigheid manen.
Te Velzen werd in 1928 73% van de kinderen gevaccineerd, maar het was onduidelijk of de poging tot immunisatie de financieele lasten, door deze ziekte aan de gemeente opgelegd zal verlichten.
Ondanks de twijfel adviseerde H. Aldershoff, directeur van het Rijks-Serologisch Instituut te Utrecht, dat voorbehoedende en therapeutische behandeling met roodvonk-serum verdere toepassing verdient. Aldershoff stelde dat de uitkomsten van serologische methodes voor behandeling weliswaar zòò uiteenlopen door de verschillende antigeennatuur der streptococcen, maar dat de actieve onvatbaarmaking met het vaccin van Dick zeer betrouwbaar was.
Effectieve behandeling van roodvonk werd vele jaren later mogelijk door het gebruik van antibiotica. Maar in de meeste gevallen uiteindelijk gingen de verschijnselen vanzelf over, al dan niet verzacht door paracetamol.
Literatuur
- ‘Roodvonk, diphterie, mazelen en kinkhoest in 1929-1930’in: NTvG (14 maart 1931) 1358-1361
- H. Aldershoff, ‘Het roodvonkvraagstuk’, in: NTvG (28 september 1929) 4514-4528
- W.F. Veldhuyzen, ‘Inenting tegen roodvonk te Velzen’, in: NTvG (18 februari 1928) 833-834
- ‘Hoogland’, in: De Eembode (27 november 1928) z.p.
- F.S.P. van Buchem, ‘Eenige waarnemingen gedurende de roodvonkepidemie te Groningen’, in: NTvG (7 juli 1928) 3281-3294
Zoektermen voor internet
Karel Peter Companje, historisch feitje, roodvonk, vaccinatie, epidemie, pandemie, vaccin
