Door Ward Bijlsma, chief medical officer Equipe Zorgbedrijven.
Het Gupta rapport “De kracht van focus”
Zelfstandige klinieken hebben mede door de groei in covid-tijd een volwassen positie in het tweedelijns zorgveld verworven. Één op de zes patiënten wordt inmiddels in een kliniek behandeld. Dat dit tot argwaan van de ziekenhuizen en maatschappelijke vragen over de toegevoegde waarde leidt, is te verwachten. Gupta Strategists heeft in het rapport “De kracht van focus” de veel gebezigde (voor)oordelen over klinieken onderzocht. Dit rapport is in opdracht van de branchevereniging van Zelfstandige Klinieken Nederland tot stand gekomen en onafhankelijke uitgevoerd.
De klinieken in Nederland zijn gestart vanuit een behoefte aan focus. Ondernemende dokters kozen er voor om buiten de ziekenhuismuren een gespecialiseerd zorgaanbod neer te zetten. Één ding super goed doen. Door de focus ontstaat de mogelijkheid een betere patiëntervaring neer te zetten, betere uitkomsten voor patiënten te realiseren, en dat tegen lagere kosten, is de gedachte. Gupta heeft gekeken of dat waar wordt gemaakt door een appels-met-appels vergelijking voor cataract, heupartrose en huidkanker.
Appels: worden gelijke patiënten gelijk behandeld?
Door de setting van zelfstandige klinieken, zonder beschikking over eerste hulp of intensive care, zijn er beperkingen aan de patiënten voor wie zij kunnen zorgen. Deze planbare ASA 1 en 2 patiënten komen ook in het ziekenhuis. Als de groep mono-disciplinaire ziekenhuispatiënten wordt vergeleken met kliniek patiënten, wordt eenzelfde leeftijdsopbouw gezien en geconcludeerd dat vergelijkbare patiënten worden behandeld.
Op de landelijke uitkomstindicatoren van cataract en heupartrose presteren klinieken gelijk of zelfs iets beter dan ziekenhuizen. Klinieken kunnen de transparantie over hun kwaliteit op de website nog wel verbeteren. Op het gebied van patiënttevredenheid doen klinieken het beter en wordt een inhaalslag gezien van ziekenhuizen. De toegangstijden bij klinieken zijn 50 tot 70% korter en blijven binnen de Treeknorm. De kosten voor deze zorg liggen zo’n 5% lager. De conclusie is dan ook dat patiënten voor deze planbare focuszorg goed tot beter af zijn in klinieken. Dat brengt ons bij de vervolgvraag of naast voordelen voor individuele patiënten er ook voordelen voor het zorgsysteem zijn. Of betreft het toch cherry picking?
Kersen: wel de lusten niet de lasten?
Je zou kunnen verwachten dat als de toegang tot behandeling in klinieken korter is, er meer operatieve patiënten worden aangetroffen als huisartsen hiervoor specifiek verwijzen en/of dat er patiënten van wachtlijsten van ziekenhuizen worden bemiddeld. Toch is het aandeel operatief behandelde patiënten vergelijkbaar tussen klinieken en ziekenhuizen. Er zijn klinieken waar juist minder operaties plaatsvinden omdat conservatief de voorkeursbehandeling is van multidisciplinaire teams. In deze teams starten therapeuten direct een conservatieve behandeling op.
Trekken klinieken schaars zorgpersoneel uit de ziekenhuizen? Hiervoor zijn geen getallen beschikbaar. Er zijn wel kwalitatieve data van een aantal zorgmedewerkers dat bewust kiest voor de focus in klinieken, de werkomgeving en beperkte diensten. Daar tegenover staan professionals die juist niet in klinieken willen werken in verband met het beperkte aanbod van zorg. Klinieken leveren een bijdrage aan de opleiding van artsen, verpleegkundigen en OK-personeel.
Een andere bijdrage aan de maatschappij en het stelsel wordt gezien in innovatie. Bijvoorbeeld proces-innovatie met one-stop-shops en uitkomstmetingen die patiënten helpen passende zorg te kiezen.
Misvattingen: is iedereen nu voor zelfstandige klinieken?
Gupta heeft goed werk geleverd door een aantal misvattingen over klinieken met data te onderzoeken en te weerleggen. Zoals vaker gaat niet iedereen direct om na een consultancy rapport in opdracht van een belanghebbende. Dat was ook wel te zien aan de reacties die in het veld opkwamen na publicatie. Feit is wel dat klinieken niet meer weg te denken zijn uit het Nederlands zorglandschap. Daarmee zijn ze nog geen vervanging van ziekenhuizen; ze zijn juist een aanvulling daarop. In het kader van de juiste zorg op de juiste plek tegen de juiste kosten en passende zorg is een verdere beweging van hoog-volume zorg naar klinieken toe te juichen. Dat hoeft niet in een concurrentiemodel, maar kan ook juist door samenwerking tussen ziekenhuizen en klinieken die de ervaring hebben met het opzetten van zulke focused-factories. Juist met de door vergrijzing toenemende zorgvraag en het oplopend tekort aan zorgprofessionals wordt het steeds belangrijker om zorg slim in te regelen met een gedifferentieerd aanbod van acute, chronische en planbare zorg.
Daarom, nu de appels zijn vergeleken en vergelijkbaar bevonden, de kersen op de schaal zijn blijven liggen, en de misvattingen van perspectief zijn voorzien, is het tijd dat ziekenhuizen en klinieken aan tafel gaan om samen de zorg op de beste manier te organiseren.

Mijn waardering voor het rapport.
Met deze uitkomsten, bevindingen en conclusies toont het rapport aan dat eindelijk het besef doordringt dat samenwerking vanuit verschillende motieven benadert kan/dient worden. Niet alleen geld.
Was voorheen het smaldeel van marktwerking ingevuld met het buiten de orde plaatsen van de gevestigde opvattingen, nu is dat in een breder perspectief geplaatst. Inhoud, kwaliteit en complementariteit voegen daadwerkelijke waarde toe aan de diverse samenwerkingsperspectieven. Los van de economische motieven is er een omslag merkbaar dat niet alles vanuit een ‘moordende’ concurrentie plaatsvindt of dat nu geld of aanzien betreft. Ego’s, snelheid, winstbejag en de ‘verwende patiënt’ maken langzaam plaats voor kwaliteitsdenken en beleefde wederzijdse belangen.
Ik spreek de hoop uit dat intrinsieke waarden het gaat winnen van alle uitwassen. Er is nog een heleboel te ‘winnen’ en tevredenheid krijgt weer inhoudelijke waarde.
Kortom er is afgestemde regie nodig voor het proces. Noem het ruimdenkende algemene belangenbewaarder.