Door Betty Birkenhäger, specialist ouderengeneeskunde en Fred Ter Meer, directeur Wonen met Zorg; beiden werkzaam bij Laurens.
Niemand wil opgenomen worden in een verpleeghuis. Toch is dat voor veel kwetsbare mensen, met name mensen met dementie, de enige plaats waar zij voldoende zorg kunnen krijgen. Of toch niet?
Het debat hierover werd geopend door minister Helder toen zij de voorgenomen uitbreiding van de verpleeghuiscapaciteit met 25.000 bedden schrapte. Dit tot ongenoegen van de oppositie in de Tweede Kamer. Wie zich verdiept in dit debat en in de achterliggende argumenten merkt al snel dat het vraagstuk complexer is dan het in eerste instantie lijkt. In dit artikel gaan we daarom dieper in op de argumenten van minister Conny Helder en haar opponenten in de Tweede Kamer.
Motivatie minister
De onderbouwing van de minister voor haar plannen zoals beschreven in haar brief naar de Tweede Kamer is dat mensen thuis willen blijven wonen, dat er door een schaarste aan zorgpersoneel geen mensen beschikbaar zijn om de nieuw te bouwen verpleeghuis capaciteit te bemensen en dat er alternatieven zijn en verder ontwikkeld worden, zoals geclusterd wonen. Verder moeten ouderen aangespoord worden tot meer autonomie en toekomstgericht denken (dus niet denken “er wordt wel voor me gezorgd als ik het zelf niet meer kan” maar hier zelf op voorsorteren) en meer gebruik gaan maken van digitale middelen. Als laatste moet ook meer aandacht besteed worden aan mantelzorgondersteuning dan nu het geval is.
Andere woonvoorzieningen
Zoals gesteld wil niemand graag naar een verpleeghuis verhuizen. Dit is vaak een enorme stap die ook bij naasten veel spanning en verdriet oplevert en vaak zo lang mogelijk uitgesteld wordt. Kinderen van mensen met dementie voelen zich na verpleeghuisopname van hun ouder vaak minder belast maar partners hebben nog lang een schuldgevoel en blijven zich ook nog verantwoordelijk voelen voor wat er in het verpleeghuis met hun partner met dementie gebeurt. Dit argument van de minister sluit dus aan bij de beleving van ouderen.
Ouderen willen echter ook niet verhuizen naar alternatieve woonruimten zoals geclusterde woonvormen. Dus, zoals de minister zelf stelt in haar toelichting, de verhuisbereidheid is laag. De voordelen zoals meer voorzieningen en hulp dichtbij, wegen vaak niet op tegen de nadelen. Veel appartementen voor ouderen zijn klein, zeker in vergelijking met de eengezinswoning waar ze vaak nog in wonen, hebben geen of weinig buitenruimte en zijn relatief duur. Kortom, je komt van je ruime woning met tuin in een buurt en met buren die je kent terecht in een klein appartement zonder tuin of balkon met op de gang geparkeerde scootmobielen waar je een heel nieuw sociaal netwerk op moet bouwen. Het plan van de minister om “ouderen beter bewust te maken van de noodzaak zich voor te bereiden op ouder worden en zich te oriënteren op het ouder en kwetsbaarder worden’ gaat dus alleen wat opleveren als ouderen er echt op vooruit gaan, anders blijft dit bij mooie woorden.
Zorgpersoneel
De minister stelt terecht dat nu al 1 op de 6 werknemers in de zorg werkt en dat er nog steeds veel vacatures zijn. Verder is in het integraal zorgakkoord akkoord in oktober 2022 afgesproken dit percentage niet verder te verhogen omdat dit ten koste zou gaan van arbeidspotentieel in andere sectoren. Echter, Xander Koolman gezondheidseconoom aan de VU, vertelde recent in Nieuwsweekend op Radio 1 dat nog niet zo lang geleden 1 op 10 van alle werknemers werkzaam was in de zorg en dat toen ook gezegd werd dat dit niet kon groeien. Hij stelde verder dat er mogelijk wel
degelijk arbeidspotentieel is. Er zijn genoeg mensen die met pensioen zijn en in goede gezondheid verkeren en mogelijk ook kunnen bijdragen aan de zorg. Hier is echter wel een omslag in denken voor nodig.
Arbeidspotentieel op kortere termijn is ook beschikbaar. Uit een recent onderzoek van de Ondernemingsraad van een grote zorgorganisatie bleek dat veel verzorgenden meer willen werken. Er worden dus kleine contracten aangeboden met een salariëring die achterblijft bij andere sectoren zoals ook Actiz schrijft in hun paper t.b.v. de begrotingsbehandeling VWS De salarissen moeten volgens ActiZ tenminste gelijk worden getrokken met vergelijkbare sectoren, conform het advies van de Sociaal Economische Raad. Intussen corrigeert de markt dit verschil ten dele. Veel zorgmedewerkers en ook behandelaars werken via uitzendbureaus of als ZZPer waardoor ze betere arbeidsvoorwaarden en een hoger salaris kunnen bedingen.
Verschuiving van intra- naar extramurale zorg zoals de minister wil zal maar beperkt personeel besparen. Als mensen met een hoge zorgbehoefte thuis wonen zal er immers nog steeds goed opgeleid personeel nodig zijn om hen te verzorgen.
Digitalisatie
De minister verwacht veel van digitalisatie en gaat er van uit dat de oudere van morgen hier meer gebruik van gaat maken en dat daardoor minder professionele zorg nodig is. Deze zorginnovaties dragen zeker bij aan de zelfredzaamheid van ouderen zonder cognitieve beperkingen en daardoor gaan zij waarschijnlijk minder beroep doen op professionele zorg. Het overgrote deel van de doelgroep die potentieel in aanmerking komt voor verpleeghuisopname heeft echter wel cognitieve beperkingen. Zij lijden aan een vorm van dementie of hebben door andere reden minder regie en overzicht, bijvoorbeeld doordat ze eerder een beroerte hebben doorgemaakt of slechtziend of slecht horend zijn. Voor deze doelgroep zijn digitale hulpmiddelen eerder een bron van stress dan van ondersteuning. Bovendien, hoe leuk een gezelschapsrobot er ook uitziet, het is echt niet hetzelfde als sociaal contact. Digitalisering gaat mogelijk wel bijdragen aan de ondersteuning van zorgmedewerkers waardoor zij minder administratielast ervaren en zich ontzorgd voelen.
Mantelzorgondersteuning
De minister stelt in haar brief aan de Kamer dat ”tussen de oudere en de mantelzorger een nieuwe balans moet ontstaan gericht op de grotere zelfstandigheid en samenredzaamheid van de oudere en zijn sociale netwerk”. Dit klopt in zoverre dat zorgen voor ouderen meer vanzelfsprekend zou moeten worden. Maar dit vergt een mentaliteitsomslag die zich niet eenvoudig laat afdwingen. Wat betreft mantelzorgondersteuning is uit wetenschappelijk onderzoek gebleken dat als mantelzorgondersteuning niet alleen gericht is op ondersteuning maar ook op psycho-educatie en het welbevinden van de mantelzorger de zorgconsumptie significant vermindert. Voorbeelden hiervan zijn Beter Thuis met Dementie, Partner in Balans en op een andere manier ook de Sociale Benadering. Dit aanbod is echter niet verankerd in het Nederlandse zorgsysteem. Mantelzorg wordt bekostigd vanuit de wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) die uitgevoerd wordt door gemeenten. Elke gemeente heeft een beperkt budget om zorg in te kopen en is tot op zeker hoogte vrij in hoe zij dit budget besteedt. De besparingen door deze interventies komen bovendien ten goede van de financiers van de zorgverzekeringswet (ZVW) en de wet langdurige zorg (WLZ). De minister geeft in haar brief wel aan dat de schotten in de zorg bepaalde vernieuwingen moeilijk maken maar geeft verder geeft ze alleen aan dat dit een onderwerp is dat met de relevante partijen nog moet worden besproken.
Extra verpleeghuisbedden
De oppositiepartijen in de Tweede Kamer stellen in hun amendement dat er 20.000 wachtenden zijn voor een verpleeghuis en dat met de verwachte toename van de vergrijzing er dus 25.000 verpleeghuisplekken bij moeten komen. Verder stellen zij dat zorg voor ouderen in verpleeghuis het meest efficiënt is: alles wat nodig is voor de zorg is onder één dak. Bovendien maken kwetsbare mensen thuis veel gebruik van ziekenhuiszorg door frequent SEH bezoek en van huisartsenzorg.
De groep van 20.000 wachtenden zijn mensen die bij het centrum voor indicatiestelling (CIZ) hebben aangegeven dat zij opgenomen willen worden en daarvoor een passende indicatie hebben gekregen. Dat wil echter niet zeggen dat zij ongeclausuleerd direct opgenomen willen worden. Tekenend hiervoor is dat er in minder populaire verpleeghuizen lege bedden zijn. Wat betreft de indicatie met grondslag psychogeriatrie, deze wordt gesteld op basis van een diagnose dementie met daarbij afhankelijkheid van niet-planbare zorg. Binnen deze groep zit echter ook nog veel variatie. Voor een deel is opname in een traditioneel verpleeghuis met gesloten deuren (nog) niet nodig maar geeft thuis wonen te veel risico en is verhuizing naar geclusterd wonen ook geen optie omdat aanpassen aan een nieuwe woning zonder dagstructuur niet meer mogelijk is. Deze doelgroep had uitstekend gepast in de inmiddels afgeschafte verzorgingshuizen. Verhuizen naar kleinere particuliere verpleeghuizen is voor deze doelgroep, mits men in staat is een hoge eigen bijdrage te betalen, wel een alternatief.
Conclusie
Samenvattend is op zowel op de argumenten van Conny Helder als van haar opponenten in de Tweede Kamer wel wat af te dingen. Maar wat moet er dan wel veranderen?
Uiteraard is het belangrijk dat er geclusterd wonen wordt gerealiseerd. Dit zal echter van goede kwaliteit moeten zijn en met voldoende diversiteit in het aanbod. Dat zal echter slechts een deel van de zorgvraag wegvangen. Het aanzien van werken in de zorg en met name in verpleeghuizen moet beter gewaardeerd worden en dit moet ook terug zijn te zien in de beloning. Het moet mogelijk zijn om in de zorg te werken en een volwaardig salaris te verdienen waar een gezin van te onderhouden is. Digitale hulpmiddelen moeten vooral gebruikt worden om mensen zonder cognitieve beperkingen te ondersteunen, om zo personeel vrij te spelen voor mensen die niet hier niet meer van kunnen profiteren en ter ondersteuning van zorgpersoneel. Een groot potentieel ligt bij het structureel verbeteren van het empoweren van mantelzorgers. Een goed opgeleid netwerk van mantelzorgers kan ervoor zorgen dat een deel van de mensen met een hoge zorgbehoefte thuis kan blijven en misschien helemaal niet hoeft worden opgenomen in een verpleeghuis.
Kortom, een mentaliteitsverandering en een doelgerichte integrale aanpak zal in de praktijk bepalen hoeveel verpleeghuisbedden erbij moeten komen. Tot nog toe blijft het debat steken in ideeën en veronderstellingen.

Trackbacks/Pingbacks