Door Henk Nies, emeritus-hoogleraar Organisatie en beleid van zorg aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

2022: lancering Care Strategy door de Europese Commissie

Het valt misschien niet zo op, maar sinds 2022 kent langdurige zorg ook een vorm van buitenlandse zaken. In dat jaar heeft de Europese Commissie de zogeheten Care Strategy gelanceerd en nadrukkelijk de langdurige zorg, zowel professioneel als informeel (mantelzorg) Europees geagendeerd. Daarnaast zette de Commissie ook zorg en educatie van jonge kinderen op de agenda.

Die Care Strategy is opmerkelijk, omdat zorg tot voor kort vooral als een aangelegenheid van lidstaten en lagere overheden werd gezien: het zogeheten subsidiariteitsprincipe. Gezondheidszorg is als zodanig eigenlijk maar een relatief klein thema van internationaal beleid. Het gaat dan vooral over grensoverschrijdende vraagstukken, zoals infecties, geneesmiddelen (onder meer antibioticaresistentie), patiëntenrechten en -verkeer, het bevorderen van gezondheid (bijv. voedselveiligheid, milieu) en beroepskwalificaties. Maar het meeste regelen lidstaten zelf; en dat willen ze ook graag zo houden. Dat gold dus ook voor langdurige zorg.

De redenen: kwaliteit, arbeidsmarkt en economie

Een belangrijke reden waarom de Commissie deze sector nu toch agendeert, is dat in veel landen deze zorg niet op orde is: onvoldoende kwaliteit, niet toegankelijk voor iedereen, slechte arbeidsvoorwaarden, overbelaste mantelzorg met een onevenredige druk op vrouwen en een dito slechte inkomenspositie. Dat laatste geldt zeker op latere leeftijd als er onvoldoende pensioenopbouw is. Een goed zorgstelsel kan de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt aanzienlijk verbeteren. Arbeidsmarkt en de economie zijn belangrijke thema’s voor de Europese Commissie. De zorg kan daarom een banenmotor zijn, aldus de Commissie. Maar vooralsnog is er een flink tekort aan menskracht in bijna alle lidstaten. Nederland staat daarin niet alleen!

Vergelijking tussen landen

De – misschien wat egoïstische – vraag is of de Nederlandse langdurige zorg wat kan hebben aan internationaal beleid. Het internationale beleidsinstrumentarium gaat grotendeels uit van goede wil van de lidstaten om te verbeteren. Om die reden hebben alle landen een nationaal coördinator aangewezen en hebben zij elk een rapport uitgebracht met het huidige landelijke en internationale beleid. Doel is dat landen van elkaar kunnen leren en de dialoog met elkaar aangaan. Daarnaast worden vergelijkende gegevens verzameld, wordt onderzoek gefinancierd en is er nog technische hulp beschikbaar (Eurocarers, 2024).

De vraag is: hoe staan we er in Nederland voor in vergelijking met andere landen? Zijn we koploper of zijn we achterop aan het raken? En kunnen we wat leren van andere landen?

Nederland doet het relatief goed

Allereerst, als het om langdurige zorg gaat behoren we nog steeds tot de bevoorrechte landen. We hebben net als de Scandinavische landen een stelsel dat veel waarde hecht aan individuele rechten, de zorgplicht van familieleden is in formele zin beperkt (familie hoeft niet financieel bij te dragen), we hebben een goed ontwikkeld palet van publieke of semipublieke voorzieningen (zonder winstoogmerk), we besteden zo’n beetje het hoogste percentage (rond de 4%) van het Bruto Binnenlands Product aan langdurige zorg, we zetten met Zweden naar verhouding het meeste personeel in, meer dan andere landen in natura, en er is goede regelgeving die willekeur voorkomt en gelijke rechten waarborgt. Dat is bijna overal echt anders. Alleen de Scandinavische landen zijn enigszins vergelijkbaar (EC, 2024; Kadi et al., 2024; OECD, 2024).

Nog een pluim op eigen hoed. De European Dementia Monitor noemde Nederland het land met het beste dementievriendelijke beleid van Europa. We hebben naar verhouding goede mogelijkheden voor woningaanpassingen, er zijn Alzheimer Cafés, casemanagers, er wordt aan deskundigheidsbevordering van mantelzorgers gedaan, er is dagbesteding, goede thuiszorg, respijtzorg thuis, er zijn ondersteuningsgroepen voor mantelzorgers en voor mensen met dementie, en er is zorg met verblijf. De rechten van mensen met dementie zijn goed geborgd, er wordt aan kennisontwikkeling gedaan en er zijn tal van dementievriendelijke initiatieven. Dat draagt allemaal bij aan kwaliteit van leven voor mensen met dementie, zo laat de Monitor zien. Alles bij elkaar lijkt het plaatje behoorlijk positief voor Nederland, al spoort dat misschien niet met het beeld dat we in eigen land hebben. De vraag is dan ook of al deze positieve waarderingen iets zeggen over Nederland of over de andere Europese landen!

Vergrijzing en zorgintensiteit in Nederland zetten druk op positie als ‘zorgkopgroep’

Kijkend naar de toekomst, is het de vraag of we in de ‘zorgkopgroep’ zullen blijven. De houdbaarheid van de langdurige zorg is een grote kopzorg. We zijn op dit moment een Europese middenmoter wat vergrijzing betreft. De landen rond de Middellandse Zee vormen de kopgroep. Maar omdat we relatief veel middelen inzetten – geld en mensen – zal die inzet met de vergrijzing in Nederland ook hard moeten toenemen. Onze uitgaven gaan in dat geval van 4,2% van het BNP naar 5,7% in 2070, zo becijferde de Europese Commissie. Overigens wordt verwacht dat Noorwegen en Zweden sneller moeten gaan om het huidige niveau op peil te houden (EC, 2024).

We kunnen die toename wat afremmen als we goed inzetten op healthy ageing (zie ook de publicatie over het verminderen van dementie van Livingston et al, 2024). Verder zal van invloed zijn hoe de geboortecijfers, de levensverwachting en de migratie cijfers zich ontwikkelen. Maar qua uitgaven blijven we waarschijnlijk koploper (EC, 2024).

De arbeidsmarkt in Nederland in vergelijking met andere Europese landen

Nijpende vraag is natuurlijk: hoe gaat het met de arbeidsmarkt? Zorgmedewerkers worden in Nederland per uur zo ongeveer het beste betaald in Europa (OECD, 2020; Pavolini en Marlier, 2024). Met de Scandinavische landen hebben we bovendien de meeste zorgmedewerkers in verhouding tot het aantal ouderen. We hebben ook het grootste aantal parttimers, die daar ook nog naar verhouding vaak uit vrije wil voor kiezen. Het European Social Policy Analysis Network noemt Nederland zelfs een “extreme” case, met 85% parttime zorgmedewerkers (Pavolini en Marlier, 2024). In veel andere Europese landen is er armoede onder zorgmedewerkers: lage uurlonen en gedwongen kleine contracten. Net als in Nederland vergrijst het personeelsbestand in Europa meer dan in de andere sectoren van de economie (SPC/DG-EMPL, 2021; Pavolini en Marlier, 2024). Werken in de zorg is in andere Europese landen ook niet zonder problemen.

Migratie: vaak een grijs gebied

De vraag is dan: helpt het inzetten op migratie van zorgmedewerkers? In grote delen van Europa (overigens ook in andere delen van de wereld), zijn er gigantische migratiestromen van zorgmedewerkers. Zij werken in zorgorganisaties, maar veel vaker nog wonen de – bijna altijd – vrouwelijke, dikwijls zorginhoudelijk gekwalificeerde migranten in bij zorgbehoevende mensen (Lamura en Nies, 2024). In een land als Italië werken om en nabij een miljoen ‘badanti’ op die manier (Eurofound, 2025). Maar ook in andere Zuid- en Midden-Europese landen komt dit veel voor. Het gevolg is een ‘care drain’ in landen als Bulgarije, Kroatië, Hongarije, Moldavië, Roemenië, Slovenië en Slowakije (SPC/DG-EMPL, 2021; Eurofound, 2025), Zuid Amerikaanse en Noord Afrikaanse landen. In die landen ontstaat weer migratie uit andere landen. Veel van dit werk bevindt zich in het grijze circuit van de arbeidsmarkt, vaak met slechte arbeidsvoorwaarden (Eurofound, 2025). De Europese Commissie ziet legale migratie als een mogelijke remedie voor de arbeidsmarktproblemen (EC, 2022).

Positie van zorgmedewerkers en mantelzorgers

Daarnaast pleit de Europese Commissie voor betere arbeidsvoorwaarden, betere scholing, meer zeggenschap, meer waardering voor het werken in de zorg en het tegengaan van fysiek en psychisch geweld alsook grensoverschrijdend gedrag jegens zorgmedewerkers (EC, 2022). Dat laatste komt elders in Europa helaas ook veelvuldig voor. Pavolini en Marlier (2024) wijzen ook op de ‘low road’: de-professionaliseren door opleidingseisen te verlagen, bezetting van voorzieningen te verminderen, en de vaardigheden van ‘migrant carers’ niet erkennen als ze in de EU komen werken, waardoor ze in niet in passende functies worden ingezet.

De andere optie is om meer een beroep te doen op mantelzorgers. In landen als Denemarken, Finland, Ierland, Slovenië en Zweden kunnen deze net als in Nederland betaald worden ingezet (Pavolini en Marlier, 2024). Dat gebeurt al veelvuldig. De economische waarde van informele zorg wordt geschat op 2,5 van het Bruto Nationaal Product binnen de EU (EC, 2022). Niet bepaald weinig!

Langdurige zorg behoeft eigen kwaliteitsdenken

Wat betekenen deze trends voor de kwaliteit van de zorg? Hebben andere landen daar ook zorgen over? De Europese tak van de WHO (die zich overigens uitstrekt tot ver buiten de Europese Unie) richt zich sinds kort sterk op de kwaliteit van de langdurige zorg. Haar recente rapport Promoting quality management in long-term care: principles, key components and directions for policy action bepleit een transformatie van het kwaliteitsbeleid van kwaliteitsbewaking naar permanent leren en verbeteren.

De insteek is dat langdurige zorg een eigen kwaliteitsdenken nodig heeft, dat anders is dan dat van de curatieve zorg. Kwaliteit van leven en gezondheidsuitkomsten die overeenkomstig de wensen van de zorgvrager zijn staan daarin voorop. Het gaat om welbevinden, autonomie en onafhankelijkheid, de rechten en menselijke waardigheid van de persoon en diens naasten, gevoegd bij een ethische afweging (WHO, 2024).

De WHO onderneemt ook actie om – op verzoek – het kwaliteitskader dat zij voorstelt in afzonderlijke landen te helpen implementeren. Op het vlak van de governance van kwaliteitsbeleid zijn interessante ontwikkelingen gaande in landen als Schotland en Frankrijk, waar bijvoorbeeld de bevolking veel meer wordt betrokken bij het ontwikkelen van kwaliteitskaders en bij het toezicht.

Kortom

De langdurige zorg is internationaal een serieus onderwerp aan het worden. Nederland heeft nog steeds het meeste verwantschap met de Scandinavische landen, maar kan van verschillende landen ‘afkijken’. Het eigen kwaliteitsparadigma van de langdurige zorg is zich aan het ontwikkelen. Grote zorgen over de arbeidsmarkt zijn er eigenlijk overal, evenals zorgen over het arbeidspotentieel voor de algehele economie (EC, 2024). De betaalbaarheid is daarenboven ook nog een onderwerp. Gevoegd bij zorgmigratie, is het niet verwonderlijk dat de Europese Unie zich roert: het gaat om grote economische belangen, vrij verkeer van arbeid, diensten en kapitaal, sociale wetgeving die dat mogelijk moet maken. En dit alles voor het welbevinden van de Europeanen, want dat laten de internationale organisaties gelukkig niet onvermeld!

Zoektermen voor internet

Henk Nies, Europese Commissie, langdurige zorg, Care Strategy, arbeidsmarkt, vergrijzing, migratie, mantelzorgers, zorgmedewerkers, kwaliteit, vergelijking