Door Henk Schers, hoogleraar regionale netwerkvorming vanuit de huisartsgeneeskunde (Radboudumc).  

Huisartsen leggen steeds minder huisbezoeken af. Dat is de belangrijkste boodschap uit het jaarlijkse rapport van het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL), met als titel Zorg door de huisarts; jaarcijfers 2023 en trendcijfers. NIVEL publiceert deze trendcijfers ieder jaar weer. Het doet dat op basis van de gegevens van een paar miljoen Nederlanders, verspreid over het land, die zijn ingeschreven bij een huisarts. Het zijn dus solide data en het is steeds weer een feest om te lezen. De disclaimer van het NIVEL vermeldt politiek heel correct dat het instaat voor de juistheid van de cijfers, maar het zegt geen verantwoording te kunnen nemen voor eventuele conclusies die derden uit de cijfers trekken. Dat lijkt me een logisch en veilig uitgangspunt, maar iemand moet die cijfers toch duiden, niet? 

Bezoekfrequenties 

Eerst maar eens het bredere perspectief op basis van al die cijfers: de huisarts zelf blijft onverminderd populair. Bijna 80% van de bij de huisarts ingeschreven Nederlanders heeft minimaal eenmaal per jaar contact met de huisarts. Gemiddeld heeft één ingeschreven patiënt vijf contacten per jaar. Dat aantal stijgt aanzienlijk met de leeftijd; peuters, kleuters en schoolkinderen hebben gemiddeld 2-3 contacten, 85-plussers gemiddeld 15 contacten. En door de oogharen heen bezien is dat allemaal behoorlijk stabiel gebleven, ondanks de coronapandemie, en ondanks alle alarmerende berichten over tekorten, zorginfarcten en andere rampspoed die over de huisartsenzorg soms de rondte doen. 

Huisvisites zijn bij kinderen een zeldzaamheid, slechts 1 op de 1000 contacten is een visite; bij 85-plussers daarentegen blijkt een kwart van de contacten een visite, dat is dus echt wel aanzienlijk. Als je kijkt naar het totale aantal contacten, dan is slechts een fractie daarvan een huisvisite, één visite tegen 30 consulten; de helft van die visites duurt langer dan 20 minuten. Gemiddeld per huisarts maximaal één visite per dag, het verschilt natuurlijk, maar dat is het wel zo’n beetje. 

Praktijkondersteuning, verpleegkundig specialisten en physician assistants 

In het rapport is er voor de huisbezoeken door praktijkondersteuners alleen zicht op de visites door de POH-GGZ. Het is onduidelijk hoeveel van de visites in de praktijk worden gedaan door de POH-somatiek of de POH-ouderenzorg, of door verpleegkundig specialisten of physician assistants, want die worden geboekt als huisbezoeken door huisartsen. Visites door anderen dan de huisarts zelf zou inmiddels wel eens een substantieel deel kunnen zijn van alle visites, maar die worden dus niet afzonderlijk geregistreerd. In mijn eigen praktijk bijvoorbeeld, hoewel ook daar de huisartsen zelf 80% van alle contacten doen, wordt een aanzienlijk deel van de visites door de POH gedaan. Meer dan een kwart, en dat aantal zal in de toekomst verder toenemen.  

Visites zijn arbeidsintensief maar minder frequent nodig 

Gemiddeld heeft één huisarts op een dag dus maximaal één visite, vaak géén. Soms meer, soms minder, sommigen meer, sommigen minder, maar dat is het gemiddelde. De visites die tegenwoordig gereden worden, zijn bijna zonder uitzondering arbeidsintensief. Visites voor rugpijn, griep en keelontsteking, waarvoor ik als huisarts 25 jaar geleden nog regelmatig in de auto stapte, zijn zo goed als uitgestorven. Het bijzondere is dat met de patiënten hierover door de bank genomen weinig discussie ontstaat. Het eisen van visites lijkt minder dan vroeger. Iedereen heeft vervoer, en de meeste mensen kunnen medisch gezien ook prima vervoerd worden; de praktijk zelf is veel beter toegerust om alles te kunnen doen wat nodig is dan thuis bij de patiënt: een ECG maken, een CRP prikken, hulp vragen van een collega, noem maar op.  

Retrospectief 

In dit soort situaties is het ook altijd leerzaam om nog eens wat verder terug te kijken: in 1976, inmiddels bijna 50 jaar geleden schreef een collega in Huisarts en Wetenschap nog verontwaardigd dat huisartsen in een aantal landen om ons heen waren gestopt (!) met huisvisites, precies om de redenen die ik hiervoor al noemde. Hij vond dat helemaal geen goed idee. Ook klaagde hij dat het aantal huisvisites in Nederland “veel minder” was dan “vroeger”, en natuurlijk werd er geklaagd over de jonge garde, die het minder belangrijk vond. Een groot verlies voor het vak. Dat “veel minder” visites was overigens in die jaren toch nog aanzienlijk. Gemiddeld genomen werkten de huisartsen in 1979 ongeveer 80 uur per week, en ze deden 35 consulten en 5 visites per dag (zie alhier). (Uiteraard was er toen mede daardoor veel minder tijd voor de patiënt, zo ging dat toen immers. Ook opvallend was het aantal huisbezoeken voor kinderen: 30% van de visites die werden gereden, was voor patiëntjes jonger dan 20 jaar, 50% was voor patiënten jonger dan 50 jaar, en 70% van de visites werden gereden voor patiënten jonger dan 70 jaar. Vergeleken met nu, waar visites vrijwel exclusief worden gereden voor 70-plussers is dat een enorme verandering. De hamvraag is natuurlijk: is dat erg? Verliezen we er wat mee? Wat is de meerwaarde van een huisbezoek?  

Visites alleen als het iets toevoegt 

Wie goed in de literatuur duikt vindt het antwoord op deze vragen niet echt. Er zijn wel veel romantische narratieven over wat je in woningen van patiënten kunt aantreffen, en hoe dat allemaal geduid kan worden; van de opgeruimde speelhoek tot de rommelige keuken, van de onveilige badkamer tot de onverzorgde tuin. En met duidingen waarvoor ik wetenschappelijk gezien mijn hand niet in het vuur zou steken. Zeker, het huisbezoek geeft extra context, maar of het er nou echt altijd toe doet? We weten het niet zo goed, maar ook zonder het huis te kennen weten huisartsen veel over patiënten, hun families, hun ziektes en hun zorgen. Ik denk dat huisartsen er weinig mee verliezen als ze de arbeidsintensieve visites reserveren voor de situaties waarin het naar hun gevoel écht iets toevoegt. Omdat de patiënt te ziek is, omdat een gesprek aan huis patiënt of huisarts meer comfort geeft, of omdat mensen in alle redelijkheid soms moeilijk vervoerbaar zijn (de oudste ouderen), én soms ook gewoon omdat je wel eens wil zien hoe het er thuis aan toegaat, omdat je onderbuik je vertelt dat het ertoe doet. En in die gevallen worden de visites door Nederlandse huisartsen gewoon gereden.  

Beschouwing 

De huisartsenpraktijk is ontegenzeggelijk efficiënter geworden. Sommigen zijn daar bedroefd over. Maar met de dubbele vergrijzing, de toegenomen zorgvragen, en de sterke reductie in het aantal uren dat de gemiddelde huisarts met het vak bezig is, is dat misschien maar goed ook. Er zijn duidelijke richtlijnen en protocollen voor de telefonische beoordeling door de assistentes. Deze triage heeft de huisartsenzorg veel beter en veel veiliger gemaakt, en er wordt tegenwoordig dus ook veel beter afgewogen of een huisbezoek wel echt nodig en wenselijk is. Én patiënten weten zelf veel beter wat er nodig is. Waar vroeger nog wel eens visites geëist werden is dat gevoelsmatig toch wel echt minder geworden. En mensen weten meer. Vroeger dachten mensen dat je met koorts niet door weer en wind mocht, en moest de dokter opdraven. Inmiddels weet men gelukkig beter, en komen patiënten gewoon naar de praktijk. Kortom, er is niets mis met het feit dat er minder huisbezoeken worden gereden, als huisartsen ze maar blijven rijden in die gevallen waar het wél nodig is. De cijfers wijzen sterk in die richting, dus ik heb daar wel vertrouwen in.  

Zoektermen op internet: 

Henk Schers, huisartsen, huisbezoek, eerste lijn, POH, visites, huisartsenpraktijk