Door Rutger F. IJntema, Di-Janne Barten, Thomas J. Hoogeboom.

Besproken rapport:

Inleiding

Volgens de Griekse mythologie verloor Orpheus, de grootste musicus die ooit leefde, zijn geliefde Eurydice door een slangenbeet. Gebroken van verdriet daalde hij af naar de onderwereld. Met zijn muziek wist hij zelfs Hades te vermurwen: hij geeft Eurydice terug, op één voorwaarde. Tijdens de tocht naar boven moet Eurydice achter haar man blijven lopen en beiden mogen onderweg niet één keer achterom kijken; anders zal Eurydice voor eeuwig in het dodenrijk achterblijven. Het gaat lang goed, maar vlak voor de uitgang draait Orpheus zich om, uit gebrek aan vertrouwen dat Eurydice daadwerkelijk achter hem loopt. Precies dát moment van terugkijken kost hem wat hij al die tijd probeerde te redden: hun toekomst (Historiek, 2024). Dit klassieke verhaal laat zien hoe verleidelijk het is om zekerheid te zoeken in dat wat achter je ligt, terwijl de echte uitdaging vóór je ligt. In het recente en hieronder te bespreken rapport ‘Marktonderzoek fysiotherapeutische zorg’ van de NZa is een vergelijkbare worsteling te herkennen: terugkijken naar wat was, met als risico dat alles hetzelfde blijft, net zoals Orpheus uiteindelijk toch door moest zonder Eurydice.

Terugkijken op de huidige markt

De analyses in het NZa-rapport zijn grondig, uitgebreid en gedetailleerd. Wachttijden, gerealiseerde zorgconsumptie en contracteerruimte worden nauwkeurig geanalyseerd volgens een beproefd beoordelingskader, gevuld met betrouwbare data van Vektis, CBS, Nivel en Stichting Pensioenfonds Fysiotherapie. Het NZa-rapport bekijkt de fysiotherapiemarkt vanuit gereguleerde concurrentie, een paradigma dat impliceert dat zorgaanbieders wedijveren op basis van productiviteit en prijs. Daarmee beschrijft het rapport vooral indicatoren die gehecht zijn aan het verleden. Het rapport benadrukt zelf ook dat het uitsluitend kijkt naar daadwerkelijk geleverde, (basis)verzekerde zorg. De toekomstverkenning in het marktrapport blijft hierdoor beperkt tot het lineair doortrekken van historische trends, onder de aanname van gelijkblijvend beleid.

Vooruitkijken op de toekomstige markt

Deze nauwe insteek van het marktonderzoek is in onze optiek onvoldoende om de huidige en toekomstige toegankelijkheid van het paramedische domein in kaart te brengen. De toekomst van zorg is bijvoorbeeld niet primair competitief, maar collaboratief. Om toegang tot goede zorg te kunnen garanderen, dienen we niet alleen rekening te houden met service-indicatoren als wachttijd en contracteerruimte, maar moeten we inspelen op steeds complexer wordende zorgvragen, een groeiende gezondheidskloof en een dubbel vergrijzende samenleving (eBioMedicine, 2024). Gelukkig zijn veel zorgrapporten het erover eens hoe we deze uitdaging aan kunnen gaan. Als maatschappij moeten we — naast digitale en hybride zorg — inzetten op:

  1. passende (preventieve) zorg en gezondheidsbevordering;
  2. sterke regionale en eerstelijnssamenwerking; en
  3. het beter benutten en behouden van zorgprofessionals (Integraal Zorgakkoord; Visie eerstelijnszorg 2030, 2024).

Het NZa-rapport ziet deze kansen ook, maar het beoordelingskader bevat (nog) geen indicatoren om deze pijlers te monitoren. Wij schrijven deze reactie op het NZa‑rapport om vanuit het perspectief van fysiotherapeutische zorg inzichtelijk te maken 1. Welke passende (preventieve) zorg fysiotherapeuten kunnen bieden, 2. Hoe regionale en eerstelijnssamenwerking te versterken zijn, en 3. Hoe fysiotherapeutische professionals beter te benutten en te behouden zijn.

1. Passende (preventieve) zorg en gezondheidsbevordering

De gezondheidszorg is volop in beweging, waarbij de zorgvraag verschuift van acute interventies naar langdurige begeleiding, functioneren, mobiliteit en ondersteuning bij zelfmanagement. Multimorbiditeit is de nieuwe norm en vraagt van zorgverleners dat zij verder gaan dan het behandelen van individuele aandoeningen. Fysiotherapie speelt een sleutelrol in het ondersteunen van mobiliteit, het voorkomen van vallen, het herstellen van functioneren en het begeleiden van gedragsverandering. De uitdaging ligt niet in het leveren van een serie zittingen, maar in het ondersteunen van duurzame gezondheid. Dit vraagt enerzijds om zorgmodellen die gericht zijn op functioneren en participatie in plaats van op verrichtingen. In een recente systematische literatuurstudie laten Lim en collega’s (2025) zien dat deze wijze van organiseren van zorg veelbelovend is: het kan het aantal ziekenhuisopnames verminderen én leidt tot betere functionele uitkomsten voor patiënten. Het vraagt anderzijds om beter inzicht in zowel de huidige als de toekomstige zorgbehoefte. Waarom de NZa stelt dat ‘zorgbehoefte’ buiten de scope van het onderzoek valt en daarom niet is meegenomen, wordt ons niet duidelijk. Juist een beter begrip van de zorgbehoefte maakt dat we een passendere inschatting kunnen maken van hoe we de juiste zorg op het juiste moment kunnen inregelen, voor iedereen. De gefragmenteerde wijze waarop fysiotherapie op dit moment wordt vergoed, draagt in ieder geval niet bij aan gelijke kansen op passende fysiotherapiezorg. Zo moeten patiënten met een chronische aandoening op de lijst Borst de eerste 20 zittingen zelf betalen voordat zij aanspraak maken op de basisverzekerde zorg. Dit raakt de kwetsbaarste personen in onze samenleving, maar indicatoren om de omvang en impact van deze beleidskeuze echt te snappen ontbreken.

2. Sterke regionale en eerstelijnssamenwerking

Zowel nationale als internationale onderzoeken tonen dat geïntegreerde, wijkgerichte en regionale samenwerking cruciaal zijn om complexe zorgvragen op te vangen (European Observatory on Health Systems and Policies, 2024). Niet alleen in Nederland, maar ook breder verschuiven zorgstelsels naar regionale samenwerking, netwerkregie en populatiegerichte sturing (OECD/European Observatory, 2023). De wijk is de plek waar preventie, vroegsignalering en functioneren samenkomen. Fysiotherapeuten spelen hier een onmisbare rol, zoals erkend in het Health System Summary van het European Observatory (2024) en herkend door veldpartijen in het NZa-rapport.

De sector speelt hierop in door de organisatiegraad te verbeteren, onder andere via Regionale Fysiotherapie Organisaties en Regionale Paramedie Organisaties. Initiatie en participatie in deze broodnodige allianties wordt nu echter niet structureel bekostigd. Sterker nog: de huidige dominante bekostiging (‘fee for service’) dwingt fysiotherapeuten vast te houden aan (zeer) hoge productiviteit. De meest recente Kleinbedrijf Index (IJntema & Van Teeffelen, 2026) laat zien dat veel eerstelijns fysiotherapiepraktijken focussen op productie en weinig ruimte ervaren om te investeren in innovatie. Investeren is nodig om hun praktijk financieel gezond te houden, maar bovenal om via domeinoverstijgende samenwerking recht te doen aan de complexe zorgvragen die voorliggen.

Kansen voor de fysiotherapie zijn gelegen in participatie in Hechte Wijkverbanden en Regionale Eerstelijnssamenwerkingsverbanden; samenwerkingsverbanden voortkomend uit de Visie eerstelijnszorg 2030. De nieuwe NZa‑beleidsmaatregel die per 1 januari 2027 ingaat voorziet in bekostiging van taken door deze samenwerkingsverbanden die niet direct zijn toe te rekenen aan individuele patiëntenzorg. Dit is een uitgelezen kans voor de fysiotherapiesector om structureel onderdeel te worden van regionale samenwerking en om zowel vakinhoudelijk als bedrijfsmatig volwaardig mee te doen in de regio.

3. Het beter benutten en behouden van zorgprofessionals

Het NZa‑rapport signaleert dat de instroom en uitstroom van fysiotherapeuten nagenoeg gelijk is en dat daarmee de toegang tot fysiotherapeutische zorg niet direct in gevaar is. Wel wordt een trend van vervroegd uittreden gezien sinds 2022, waar deze cijfers tussen 2014 en 2021 nauwelijks veranderden. Voor de NZa is dit geen reden tot zorg, maar in het werkveld leidt de hogere vervroegde uitstroom tot kopzorgen.

Het rapport Arbeidsvoorwaarden in de eerstelijns fysiotherapie (Fysiovakbond FDV, 2024) benoemt dat 70% van de ondervraagden serieus overweegt om het vak te verlaten. Als redenen worden genoemd: gebrek aan waardering door lage salarissen, slechte pensioenafspraken en beperkte doorgroeimogelijkheden. Zorgelijke signalen die de continuïteit en toegankelijkheid van de sector wel degelijk potentieel bedreigen. Ook veel praktijkeigenaren (54%) denken aan stoppen vanwege stress, regeldruk en financiële druk (IJntema & Van Teeffelen, 2024). Hoe kan de ervaren werkelijkheid zo verschillen van de cijfers die de NZa presenteert?

Wellicht schuilt in het concept ‘job performance’ — ofwel in hoeverre fysiotherapeuten hun werk goed (kunnen) doen — een verklaring voor dit verschil. Hoe goed een zorgprofessional zijn of haar werk doet, kan op drie manieren worden bekeken: taakprestaties, contextuele prestaties en adaptieve prestaties (Krijgsheld et al., 2022). Historisch gezien ligt de beoordeling van iemands presteren met name op taakprestaties: de taken die horen bij de vaktechnische kern van het beroep. Het NZa‑rapport sluit hierop aan door de fysiotherapie primair te duiden met taakgerichte uitkomsten, zoals wachttijd en productiviteit.

De fysiotherapiesector heeft op dit moment een productiviteit van 74%, veruit het hoogste percentage van alle paramedici. Deze hoge efficiëntie betekent dat fysiotherapeuten vaak strak geplande agenda’s hebben. De keerzijde is dat zij nauwelijks ruimte ervaren voor overleg, innovatie of reflectie (NZa, 2026). Hierdoor komt juist het contextueel en adaptief presteren onder druk te staan. Contextuele prestaties verwijzen naar gedrag dat het sociale en organisatorische klimaat ondersteunt, zoals (interprofessioneel) samenwerken en bijdragen aan praktijkverbetering. Adaptieve prestaties duiden op het vermogen om effectief om te gaan met veranderingen, zoals nieuwe samenwerkingsverbanden, nieuwe rollen, of patiënten met steeds complexer wordende zorgvragen. Onderzoek laat zien dat een gebrek aan ruimte voor deze bredere vormen van werkprestaties samenhangt met verhoogde werkdruk, vermoeidheid en uiteindelijk overwegingen om het beroep te verlaten (Biemans et al., 2024 ; Krijgsheld et al., 2022).

Om het vak fysiotherapie nu en in de toekomst aantrekkelijk en betekenisvol te houden, moeten we breder naar de rolopvatting van de fysiotherapeut kijken. Een fysiotherapeut is namelijk niet enkel bezig met het uitvoeren van zittingen waarvoor NZa‑prestaties bestaan, inclusief bijbehorende administratieve taken. De fysiotherapeut houdt zich bij uitstek ook bezig met niet‑patiëntgebonden taken, zoals het ondersteunen van de eigen organisatie, collegiale samenwerking, bijdragen aan een positieve en innovatieve teamcultuur en het nemen van kwaliteitsinitiatieven. Zo worden fysiotherapeuten steeds vaker triagist, leefstijlcoach of casemanager bij chronische problemen (Maddigan et al., 2025).

De fysiotherapeut laat dus zien zich toekomstgericht te willen aanpassen aan veranderende omstandigheden. Maar een economische prikkel voor deze bredere rolopvatting ontbreekt binnen de huidige markt, en dat demotiveert fysiotherapie‑ondernemers om innovatie door te zetten. Het is dan ook niet verrassend dat de Kleinbedrijf Index Fysiotherapie herhaaldelijk laat zien dat het goed uitvoeren van het vak fysiotherapie — zowel op het gebied van vakinhoudelijke kwaliteit als op contextueel en adaptief presteren — voor veel fysiotherapiepraktijken een moeizame opgave is (IJntema & Van Teeffelen, 2026).

Kortom

Terug naar het verhaal van Orpheus en Eurydice. Het verleden was goed en dat geldt ook voor de fysiotherapie. Op basis van het oude paradigma van concurrentie, productiviteit en prijs functioneert de fysiotherapiesector voldoende. Maar de wereld is veranderd. Misschien niet zo plotseling als de slangenbeet die Eurydice en Orpheus van elkaar scheidde, maar de veranderingen in populatiegezondheid, zorgbehoefte en domeinoverstijgende samenwerking zijn urgent.

Een adequate reactie op deze veranderingen is om de blik met vertrouwen op de toekomst te richten; uit liefde voor iedere Nederlandse burger die recht heeft op goede en toegankelijke fysiotherapeutische zorg. Daarom is het noodzakelijk dat beleid verschuift van verrichtingen naar waarde, van concurrentie naar samenwerking en van taakgerichte productie naar adaptieve, contextgebonden zorg. Daar past ook een toekomstgericht beoordelingskader bij: een kader dat kijkt naar functioneren en zelfredzaamheid, het bereik en effect van preventieve beweeginterventies, en het vermogen van de eerste lijn om zwaardere zorg te voorkomen door substitutie.

Daarnaast hoort in zo’n kader de werking van regionale samenwerking tussen zorg en sociaal domein, de duurzaamheid van de arbeidsmarkt en de maatschappelijke kosten en baten van fysiotherapie — inclusief vermeden zorgkosten en grotere participatie — zichtbaar te worden. Waar de huidige indicatoren vooral inzicht geven in hoe de sector presteerde, maken toekomstgerichte indicatoren zichtbaar of en hoe de fysiotherapie bijdraagt aan toegankelijke zorg in de toekomst, voor iedereen.

Over de auteurs:

  • Dr. IJntema is opgeleid als fysiotherapeut en werkt nu als senior onderzoeker en Hogeschoolhoofddocent op het snijvlak van Innovatie, Ondernemen, Waardecreatie, en Samenwerken in zorg en welzijn aan de Hogeschool Utrecht. Contact: rutger.ijntema@hu.nl
  • Dr. Barten is opgeleid als fysiotherapeut, nu lector bij Hogeschool Utrecht en co-lead van de U-Move onderzoeksgroep. Ze draagt samen met professionals, studenten en burgers bij aan goede en toegankelijke beweegzorg voor iedereen.
  • Prof.dr. Hoogeboom is werkzaam als hoogleraar Fysiotherapiewetenschap aan de afdeling Revalidatie, Fysiotherapiewetenschap en Sport van het UMC Utrecht. Daarnaast is hij co-lead van de U-Move onderzoeksgroep en programmaleider van de Master opleiding Fysiotherapiewetenschap.

Zoektermen voor internet

Rutger F. IJntema, Di-Janne Barten, Thomas J. Hoogeboom, eerste lijn, beleidsontwikkeling, NZa marktonderzoek fysiotherapie 2026, toekomst fysiotherapie Nederland, Regionale Paramedie Organisaties RPO, bekostiging fysiotherapie 2027, uitstroom fysiotherapeuten oorzaken, passende zorg fysiotherapie, fee-for-service fysiotherapie kritiek, Visie eerstelijnszorg 2030, Kleinbedrijf Index Fysiotherapie 2026, adaptieve prestaties zorgprofessionals.