Print Friendly, PDF & Email

Door Fuusje de Graaff.

WOZO: voor iedere oudere gepaste zorg?

Hoe kan WOZO (het programma Wonen, Ondersteuning, en Zorg voor ouderen) de beloofde aandacht voor ‘ouderen in kwetsbare situaties’ concreet vormgeven? Onderzoekers van Pharos verkenden in Utrecht wat de mogelijkheden zijn en publiceerden daarover in januari in het rapport Ouderen en langer thuis’.

De onderzoekers interviewden 22 ‘ouderen’ tussen 55-88 jaar die moeite hebben met lezen en schrijven of een migrantenachtergrond hebben. De werving verliep via contacten met buurthuis Oase, Stichting Al Amal, Stichting ABC en taalambassadeurs in Utrecht. Het interview bevatte vragen over de ervaren kwaliteit van leven, de beperkingen bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen en de bekendheid met digitale hulpmiddelen. De vragen waren in eenvoudige taal gesteld, van de (on)bekende hulpmiddelen werden foto’s getoond en ouderen konden hun tevredenheid weergeven met behulp van drie smileys: een groene met een blij gezichtje, een oranje met een neutraal gezichtje of een rode met een droevig gezichtje. De andere vragen werden in een open gesprek besproken.

Wat zijn de bevindingen?

Het rapport is vlot geschreven, en de verhalen van de informanten zijn gebundeld in vier thema’s:

De tevredenheid was laag: zeven respondenten waren tevreden over hun leven en acht over hun gezondheid. De respondenten waardeerden de zorg van huisartsen en specialisten in Nederland in het algemeen als ‘goed’, maar vertelden ook over hun negatieve ervaringen, onder andere over lange wachttijden, gebrekkige verwijzingen en een onpersoonlijke bejegening.

Andere quotes betreffen hun pessimistische verwachtingen voor de toekomst: men onderkent de personeelstekorten, wantrouwt het regeringsbeleid, vreest de robotisering en is teleurgesteld in de zorgmogelijkheden van de eigen kinderen. Een enkeling voelt zich eenzaam.

Alle respondenten woonden zelfstandig. Zeventien (van de 22) wilden in hun woning blijven wonen omdat ze zich er ‘thuis’ voelen en een sociaal netwerk in de wijk hebben. Maar velen beseften dat ze mogelijk moesten verkassen als de gezondheid achteruitgaat. Nu hadden negen respondenten al een beperkt uithoudingsvermogen en mobiliteitsproblemen: last van hun knieën of rug. Een andere reden om te willen verhuizen is het dichtbij kinderen willen wonen.

Bijna alle respondenten hebben een smartphone, computer of tablet, waarmee men mailt, facebook en youtube bekijkt, spelletjes doet, bankiert etc. Minder bekend waren de zorgriem met GPSTracker, de alarmknop en medicijndispenser. De getoonde hulpmiddelen waren niet allemaal bekend, maar werden over het algemeen positief gewaardeerd.

De onderzoekers concluderen dat de tevredenheidsscores van deze respondenten lager uitvalt dan die op de landelijke monitor van het RIVM, maar dat de wens om zo lang mogelijk thuis te blijven wonen ook voor deze respondenten geldt.

Welke aanbevelingen doet Pharos?

In de laatste alinea van het rapport beschrijven de onderzoekers hun aanbevelingen als volgt:

Op basis van dit onderzoek adviseert Pharos: extra aandacht voor het toegankelijk maken van de zorg voor deze “mensen met mogelijk beperkte gezondheidsvaardigheden” bij het langer thuis wonen. De eerste lijn zou daarin een faciliterende rol kunnen spelen. Hoewel de randvoorwaarden aanwezig zijn, ook voor ‘digitaal als het kan’ in de vorm van digitale middelen en toegang tot internet, is meer bekendheid nodig aan mogelijkheden tot aanpassingen in huis en digitale hulpmiddelen om langer thuis wonen te ondersteunen. Hierbij is het belangrijk om aandacht te geven aan het opbouwen van een sociaal netwerk om eenzaamheid te voorkomen gezien zorg van kinderen en familie niet vanzelfsprekend is. Aanvullend onderzoek is nodig om passende ondersteuning te bieden voor kwetsbare groepen, die de WOZO belooft te geven”.

Waardering voor het rapport, maar hoe nu verder?

Als belangstellende voor migrantenzorg ben ik blij verrast dat er weer zo’n praktijkgericht onderzoek is verricht om de uitvoerders van de WOZO te helpen hun abstracte beleidsdoelstellingen te concretiseren. Het onderzoek laat zien dat het zeer wel mogelijk is om ‘moeilijk bereikbare doelgroepen’ te bereiken en te bevragen. Waarschijnlijk hebben deze 22 respondenten zelf ook veel geleerd van deze exercitie: ze kregen de kans om hun ervaringen te verwoorden en na te denken over hun toekomst. Daarnaast is het rapport vlot geschreven en in dat opzicht toegankelijk voor alle betrokken beleidsmakers.

Maar… voor mij zijn de resultaten van dit vele werk teleurstellend. En ik heb lang gepiekerd wat daar de oorzaken van zijn. Ik doe drie suggesties voor het vervolg op dit onderzoek.

1. Hoe komen knelpunten èn mogelijke oplossingen in beeld?

De onderzoeksgroep (55+ en zelfstandig wonenden) is beperkt. Als men bijvoorbeeld ook mensen had geïnterviewd die niet langer zelfstandig wonen, waren de problemen die betrokkenen, hun naasten en hun zorgverleners in het verhuistraject hebben moeten incasseren beter in beeld gekomen.

Verder kozen de onderzoekers ervoor om gebruik te maken van bestaande vragenlijsten (https://vragenlijsten.mijnkwaliteitvanleven.nl/ en de ADL vragenlijst), aangevuld met eigen vragen over digitale hulpmiddelen. Het laatste deel heeft meer opgeleverd dan het eerste en dat reken ik onder andere toe aan de keuzes die vragenlijsten te hanteren.

Welke concrete antwoorden verwacht je bij vragen als:

  • Hoe tevreden bent u over de zorg in Nederland?
  • Hoe denkt u over de zorg in Nederland in de toekomst? Heeft u vertrouwen in de toekomst van de zorg in Nederland? Hoe denkt u dat de zorg eruit gaat zien?

Vragen naar ervaringen was misschien beter geweest.

Uit de ADL lijst werd onder meer gevraagd:

  • Kunt u alles doen wat u wilt? · Waarom wel/niet?
  • Lukt het om uw werk te doen? · Waarom wel/niet?
  • Kunt u uw werk zo goed doen als u wilt? · Waarom wel/niet?
  • Kunt u dingen niet doen door uw gezondheid?

Deze vragen hebben niet geleid tot conclusies of aanbevelingen.

2. Wie vormen de groep: ouderen in kwetsbare situaties?

De onderzoekers geven zelf al aan dat er door de werving via welzijnsinstellingen mogelijk vooral ouderen bij dit onderzoek betrokken zijn die open staan voor hulpmiddelen en sociale ondersteuning.

Opmerkelijk is dat er in het rapport eerst gesproken wordt over ‘ouderen in kwetsbare situaties’, maar later over ‘mensen met mogelijk beperkte gezondheidsvaardigheden’, d.w.z. mensen met een praktische opleiding, en/of die moeite hebben met lezen en schrijven en/of die een migratieachtergrond hebben. Deze vertaalslag sluit aan bij de expertise van Pharos, maar beperkt de vraagstelling voor de WOZO.

Net na de tweede wereldoorlog stond het ouderenbeleid in het teken van de bestrijding van de woningnood en mochten alle 65-plussers dus doorstromen naar een bejaardentehuis. Nu is zo lang mogelijk zelfstandig wonen de norm. Daarom moeten ‘de ouderen van straks’ voorbereid worden op ‘minder professionele zorg’. In dat kader past de vraag van de overheid naar onderzoek over de tevredenheid over de eigen gezondheid en het vertrouwen in de overheid en zorginstanties. Maar zoals Carlsson & Kremer constateren, zullen lang niet alle ouderen evenveel last hebben van de koerswijziging van het beleid. Ouderen met een stevig kapitaal achter de hand, hoeven zich over deze koerswijziging minder zorgen te maken, want er zijn steeds meer particuliere seniorenvoorzieningen voor de zelfbetalers. Migranten ouderen hebben ook minder last van deze koerswijziging, omdat ze niets verwachtten van (Nederlandse) bejaardenoorden of professionele thuiszorg. Zij vertrouw(d)en op de zorg van kinderen. ‘De ouderen van straks’ vormen dus een divers samengestelde doelgroep en daarmee ontstaat er ook een scala van mogelijke ‘kwetsbare situaties’.

3. Wat is er nog meer nodig voor het beleid rond ‘kwetsbare situaties voor diverse ouderen’?

Er zijn andere typen onderzoek en andere interventies nodig om te voorkomen dat verschillende groepen ouderen verongelukken door kwetsbare situaties.

  • Hoe gaan we zorgen dat ouderen, hun naasten en hun huisartsen de kortste weg vinden in het oerwoud van hulpverleners: bij verwijzing naar thuiszorg kunnen Amsterdammers ‘kiezen’ tussen 191 organisaties! (Carlsson & Kremer) en bij verwijzing naar de specialist ervaren huisartsen dat medische criteria worden overvleugeld door praktische bezwaren (Strien-Knippenberg & Wagner, NIVEL, 2024).
  • Hoe gaan we om met ouderen die bij familie of vrienden inwonen, maar naarmate ze meer gebreken ondervinden ‘te lastig’ worden voor de anderen in huis? Mentorprojecten laten zien dat dit aantal stijgt. En hoe gaan we om met kinderen die hun ouders niet in huis nemen vanwege de fiscale nadelen door de kostendelersnorm? Maar ook:
  • Hoe gaan we om met kinderen die hun ouders wel in huis nemen, maar verdrinken in de mantelzorgtaken?
  • Hoe gaan we zorgen voor de groep ouderen die geen volledige AOW-uitkering hebben, omdat ze nog geen 40 jaar in Nederland woonden en werkten?
  • Hoe gaan we zorgen voor het stijgend aantal onverzekerden? Zij krijgen aanmaningen en boetes, maar dat lost hun probleemsituatie niet op.
  • En hoe gaan we zorgen voor de steeds grotere groep oudere ongedocumenteerden? Mensen die vaak al jaren werken en wonen in Nederland, maar nergens terecht kunnen nu ze oud worden.

Beschouwing

Deze organisatorische, sociale en economische vragen vallen geheel buiten de scoop van deze eerste verkenning van Pharos. Als beleidsmakers echt aandacht willen besteden aan ouderen in kwetsbare situaties moeten niet alleen kenmerken van ouderen in beeld worden gebracht, maar ook kenmerken van situaties die tot hun (ver)val leiden en/of dat (ver)val kunnen voorkomen.

Waarschijnlijk zullen voor het opsporen en ombuigen van “kwetsbare situaties” naast onderzoeken ook langduriger interventies nodig zijn. Te denken valt aan langdurig volgen van precaire situaties, of aan de inzet van ervaringsdeskundigen en het opzetten van proeftuinen waarin flexibel kan worden omgegaan met beperkende condities. De recente rapporten van de Raad Volksgezondheid & Samenleving (zoals ‘Van overleven naar bloeien’) en het SCP (zoals ‘Gezien, gehoord en geholpen willen worden’) bepleiten dit eveneens. Dan wordt ook duidelijk dat niet alleen ‘de eerste lijn’ die Pharos een faciliterende rol wil geven, maar ook wet- en regelgevers, gemeentelijke organen, woon- en zorgorganisaties en zelfs kerkelijke en vrijwilligersorganisaties (zoals voedselbanken) een rol moeten gaan spelen in het concretiseren van de WOZO-doelen voor ouderen in kwetsbare situaties.

Kortom

Voor het concretiseren van het WOZO beleid voor ouderen in kwetsbare situaties zullen niet alleen bepaalde groepen ouderen, maar vooral bepaalde dreigende ‘gevaarlijke’ situaties de aandacht moeten krijgen van zowel onderzoekers als beleidsmakers.Door lokaal concreet en gezamenlijk naar oplossingen te zoeken, kunnen veel kwetsuren voorkomen worden.

Over de auteur

Fuusje de Graaff studeerde sociale geografie, volwasseneneducatie en medische antropologie. Ze is gespecialiseerd in interculturele communicatie en de omgang met ‘anderen’ in onderwijs, welzijn, gezondheidszorg en ontwikkelingssamenwerking. Fuusje is bereikbaar op email fuusdegraaff@wxs.nl

Zoektermen op internet:

Fuusje de Graaff, Ouderen, WOZO, Ouderen langer thuis, migranten, laaggeletterdheid, toekomst, zelfstandig wonen, thuiszorg, Pharos, ouderenzorg, knelpunten, kwetsbare ouderen

Schrijf u in voor de nieuwsbrief


En ontvang elke 2 weken de nieuwsbrief met de meest recente artikelen in je mailbox!

Klik hier om in te schrijven

Dit zal sluiten in 10 seconden