Door Robert Mouton en Guus Schrijvers, redacteuren Nieuwsbrief Zorg en Innovatie.

Woord vooraf

Dit artikel bevat een juridische opinie over de verhouding tussen de Zorgverzekeringswet en het Europese recht. De besproken argumenten zijn interpretaties van wetgeving en jurisprudentie waarover verschillende juridische opvattingen bestaan. Het artikel beoogt het debat te stimuleren en vormt geen juridisch advies.

Inleiding

Bij de totstandkoming van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) is destijds zorgvuldig nagedacht over de opname van Artikel 13. Dit artikel werd niet alleen opgenomen om de keuzevrijheid van verzekerden te garanderen, maar was fundamenteel omdat het voortvloeit uit de Europese wetgeving. Het lijkt wel alsof iedereen in Den Haag zo langzamerhand vergeten is hoe dit stelsel destijds is ontworpen: met de restitutiepolis, zonder knellende hoofdlijnakkoorden (2012), een macro beheersingsinstrument (2015), oplopende tarieven- en wachtlijstendisputen en juist toename van bureaucratie. Met toen nog de overtuiging dat privaat ondernemerschap, concurrentie, transparantie, kwaliteitstoename en keuzevrijheid tot verbetering en balans zouden leiden zonder zware centrale aansturing. Op een later moment zal worden ingegaan op de vraag hoe dit model stap voor stap is uitgekleed, maar nu richten wij de schijnwerper op Artikel 13 Zvw: het voornemen van het kabinet om het zogeheten hinderpaalcriterium en de vrije artsenkeuze te schrappen (wetsvoorstel voor Q4 2027). Dit stuit op de grenzen van het Europese recht. Omdat de wetgever de zorgverzekering in Artikel 1, onder de Zvw, expliciet heeft gedefinieerd als een schadeverzekering, is de stelling in dit artikel dat de bescherming van de interne markt en de contractsvrijheid onder de Derde Schaderichtlijn (Richtlijn 92/49/EEG) onverkort van toepassing is (nu Solvency II, Richtlijn 2009/138/EG, bijlage 1, punt 2). Het verlagen van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg naar een de facto nulvergoeding is binnen de huidige wettelijke systematiek onhoudbaar. Hieronder volgen vijf argumenten die deze stelling onderbouwen. Deze worden elk van een of enkele tegenargumenten voorzien. Op zijn beurt worden die weer weerlegd. Aan het eind volgt een samenvattende conclusie.

1. De Begrenzing van het ‘Algemeen Belang’ onder Artikel 54

Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zou zich bij de inperking van de keuzevrijheid op Artikel 54 van Richtlijn 92/49/EEG kunnen beroepen, dat lidstaten de ruimte biedt om ter bescherming van het “algemeen belang” de voorwaarden van wettelijke ziektekostenverzekeringen te reguleren. Artikel 54 luidt:

“Onverminderd het gemeenschapsrecht kunnen de lidstaten eisen dat de algemene en bijzondere polisvoorwaarden van de wettelijke ziektekostenverzekeringen aan de Commissie worden meegedeeld […] teneinde te verifiëren of zij in overeenstemming zijn met hun specifieke wettelijke bepalingen ter bescherming van het algemeen belang.”

Dit artikel, gepositioneerd in Hoofdstuk 3 (Polissen en tarieven), regelt uitsluitend een voorafgaande toezichtsbevoegdheid. Het biedt geen materiële grondslag om rechtmatig gevestigde leveranciers van diensten (zoals zelfstandige behandelcentra en vrije beroepsbeoefenaars) structureel uit te sluiten van de vergoedingssystematiek.

Artikel 54 begint niet voor niets met de zinsnede “Onverminderd het gemeenschapsrecht”. De bescherming van het algemeen belang kan de fundamentele bepalingen van de interne markt uit de richtlijn zelf, noch het primaire Unierecht, opzijzetten. Het artikel staat regulering van de voorwaarden toe, maar legitimeert geen marktuitsluiting.

Tegenargument:
Een zwak punt is dat de tekst zwaar leunt op Richtlijn 92/49/EEG (de Derde Schaderichtlijn). Sindsdien is het Europese verzekeringsrecht grotendeels vervangen door latere regelgeving, met name het Solvency II-kader. De vraag is daarom niet alleen wat Richtlijn 92/49 ooit betekende, maar of daaruit vandaag nog rechtstreeks de gestelde conclusies kunnen worden afgeleid. Ook al is de Zvw formeel een schadeverzekering, daaruit volgt niet automatisch dat alle kenmerken van een commerciële schadeverzekering onverkort gelden voor een wettelijke sociale ziektekostenregeling.

Weerlegging:
Dit is een formele misvatting. Het Solvency II-kader (Richtlijn 2009/138/EG) regelt primair het financieel toezicht, de kapitaaleisen en de solvabiliteit van verzekeringsondernemingen. De materiële marktregels, het vrij verrichten van diensten en de bescherming van de contractsvrijheid uit de oorspronkelijke schaderichtlijnen zijn door Solvency II gecodificeerd en overgenomen, niet afgeschaft. Zolang het stelsel via Artikel 1, onder de Zvw civielrechtelijk verankerd blijft in de wettelijke definitie van de schadeverzekering, blijft de materiële aard van het verzekeringsproduct onverkort onderworpen aan de Europese marktverplichtingen.

Tegenargument:
Artikel 13 Zvw is geen Europees vereiste. Nederland heeft artikel 13 zelf ontworpen bij de invoering van de Zvw. Geen enkele EU-richtlijn schrijft expliciet een vrije artsenkeuze voor. Veel EU-landen kennen systemen met sterke contractering en beperkte keuzevrijheid. Het bestaan van dergelijke systemen binnen de EU wijst erop dat het Unierecht niet noodzakelijk een Nederlandse variant van artikel 13 vereist. Artikel 13 is een nationale politieke keuze geweest, geen rechtstreeks Europees gebod.

Weerlegging:
Dit argument verwisselt oorzaak en gevolg. Landen met systemen van beperkte keuzevrijheid hebben hun zorgvoorziening publiekrechtelijk of corporatistisch ingericht en niet gedefinieerd als een markt voor private schadeverzekeringen. Nederland heeft dat wel gedaan. Ondanks de latere uitspraken van de Raad van State en de Hoge Raad dat het Europese recht niet dwingt tot een binnenlandse vrije artsenkeuze, blijft de private inrichting van het stelsel de juridische crux. Het Unierecht verplicht een lidstaat weliswaar niet tot een vrije artsenkeuze, maar het verbiedt een lidstaat wél om een stelsel wettelijk in te richten als een markt voor private schadeverzekeringen en vervolgens de markttoegang van legitieme dienstverleners feitelijk onmogelijk te maken. Indien de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg de facto naar nul beweegt, ontstaat er een feitelijke marktafscherming die de proportionaliteitstoets en de markttoegangsbeginselen uit de Europese jurisprudentie, zoals de arresten Kohll en Smits/Peerbooms, schendt (zie ook punt 5). Artikel 13 is de noodzakelijke juridische sluitsteen om het private Zvw-model binnen deze specifieke marktinrichting überhaupt Europeesrechtelijk houdbaar te houden.

2. De Vergoedingsplicht en de Aard van het Schadeverzekeringsbedrijf (Artikel 6)

Wanneer een medische prestatie wettelijk is gedefinieerd als onderdeel van de wettelijke dekking (het basispakket van de Zvw), verplicht de wetstechnische systematiek van de richtlijn dat de schadeverzekeraar deze schade in beginsel dekt. Het toestaan van een de facto nulvergoeding voor niet-gecontracteerde zorg schendt de kernbepalingen van de richtlijn op het volgende specifieke punt:

  • Artikel 6 van Richtlijn 92/49/EEG (De definitie van het schadeverzekeringsbedrijf):
    Dit artikel verplicht lidstaten om ervoor te zorgen dat verzekeringsondernemingen hun werkzaamheden beperken tot het verzekeringsbedrijf en de daarmee rechtstreeks samenhangende werkzaamheden. Een schadeverzekering is rechtens een overeenkomst tot schadedekking. Indien de wetgever toestaat dat een verzekeraar de vergoeding van een feitelijk geleden schade (het ondergaan van een wettelijk gedekte medische behandeling) volledig weigert op de enkele grond dat de aanbieder niet-gecontracteerd is, tast dit de wettelijke aard van de overeenkomst aan. De verzekeraar dekt dan immers niet langer de medische kosten van de verzekerde (die de feitelijke schade vormen), maar dekt uitsluitend nog zijn eigen contractuele relatie met de zorgaanbieder. Dit is in strijd met de unitaire definitie van het schadeverzekeringsbedrijf ex Artikel 6.

Tegenargument:
Het begrip “schadeverzekering” impliceert niet dat elke zorgverlener moet worden vergoed. Verzekeringen bepalen altijd de voorwaarden waaronder dekking bestaat. Dat een gebeurtenis verzekerd is, betekent niet dat iedere wijze waarop kosten worden gemaakt ook vergoed moet worden. In veel verzekeringsvormen geldt een netwerk, voorkeursaanbieder of contractuele beperking. Een rechter zou kunnen redeneren: de verzekerde prestatie is toegang tot zorg conform de polisvoorwaarden, niet noodzakelijk vergoeding van iedere willekeurig gekozen aanbieder. Dat ondermijnt een groot deel van de redenering.

Weerlegging:
Binnen een reguliere schadeverzekering is het sturen naar een netwerk (bijvoorbeeld via korting op het eigen risico) toegestaan; dit weerspiegelt de werking van het hinderpaalcriterium. Zodra een verzekeraar de vergoeding bij een niet-gecontracteerde aanbieder echter tot exact 0% verlaagt, dekt de polis de feitelijk geleden schade (de medische kosten) niet meer. De Zvw kent via Artikel 11 (a. en b.) bovendien een dwingendrechtelijk onderscheid tussen natura- en restitutiedekking. Een de facto nulvergoeding heft dit wettelijke onderscheid op stelselniveau op en reduceert de schadeverzekering tot een pure naturapolis, wat de wettelijke definities (rechten) doorkruist.

3. Belemmering van het Vrije Verkeer van Diensten (Artikel 39 en 40)

Het hanteren van preferred providers (gecontracteerde zorgaanbieders) is een legitiem sturingsinstrument, maar mag niet leiden tot de uitsluiting van andere legitieme marktpartijen. Dit wordt namelijk begrensd door de artikelen inzake de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten binnen de richtlijn:

  • Artikel 39, eerste lid, van Richtlijn 92/49/EEG:
    Dit artikel verplicht lidstaten om ervoor te zorgen dat elke verzekeringsonderneming die in een andere lidstaat is toegelaten, haar werkzaamheden in het kader van het recht van vestiging of de vrijheid van dienstverlening kan uitoefenen.
  • Artikel 40, eerste lid, van Richtlijn 92/49/EEG:
    Dit artikel luidt:

“Lidstaten van ontvangst stellen geen bepalingen vast die verhinderen dat een verzekerde een overeenkomst sluit met een in de lidstaat van herkomst toegelaten verzekeringsonderneming, zolang die overeenkomst niet in strijd is met de wettelijke bepalingen van algemeen belang […].”

De systematiek van de Artikelen 39 en 40 garandeert dat verzekeringsproducten en de onderliggende dienstverlening vrijelijk binnen de Unie moeten kunnen stromen. Wanneer de wetgever Artikel 13 Zvw schrapt, ontstaat een nationale marktstructuur waarin niet-gecontracteerde zorgaanbieders de facto van de markt worden gedrukt, omdat hun patiënten geen enkele vergoeding meer ontvangen. Dit vormt een directe, ongerechtvaardigde belemmering voor de markttoegang van zorgaanbieders en tast de open marktstructuur ex Artikelen 39 en 40 aan.

Tegenargument:
Artikelen 39 en 40 van de richtlijn beschermen verzekeraars, niet zorgaanbieders. De tekst maakt een sprong van de vrije dienstverlening van verzekeringsmaatschappijen naar de markttoegang van zorgaanbieders. Dat is juridisch niet vanzelfsprekend. De artikelen die worden aangehaald lijken vooral gericht op verzekeringsondernemingen en grensoverschrijdende verzekeringsdiensten. Het feit dat een Nederlandse fysiotherapeut of zelfstandig behandelcentrum minder aantrekkelijk wordt voor verzekerden betekent nog niet dat een verzekeraar wordt belemmerd in zijn Europese vrijheid van dienstverlening.

Weerlegging:
Deze formalistische lezing miskent de unitaire effectenleer van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU). Een overheidsmaatregel die de consument (de verzekerde) financieel straft met een nulvergoeding zodra deze zorg afneemt buiten het aangewezen netwerk, belemmert de effectieve verhandeling van verzekeringsproducten en raakt rechtstreeks het vrij verkeer van medische diensten (Artikel 56 VWEU). Als een rechtmatig gevestigde zorgaanbieder geen patiënten meer kan ontvangen omdat de vergoeding door de wetgever op nul is gezet, zijn het dienstenverkeer en de verzekeringsmarkt onlosmakelijk in hun onderlinge werking belemmerd.

Tegenargument:
De nulvergoeding hoeft niet noodzakelijk een marktuitsluiting te zijn. De tekst behandelt een nulvergoeding vrijwel automatisch als marktafscherming. Niet-gecontracteerde aanbieders blijven immers bestaan. Zij kunnen nog steeds patiënten behandelen. Patiënten kunnen vrijwillig zelf betalen. Economisch is dat een nadeel, maar juridisch is dat niet hetzelfde als een verbod. Er is sprake van sturing van verzekerden, niet van uitsluiting van aanbieders.

Weerlegging:
Volgens vaste rechtspraak van het HvJ-EU hoeft een maatregel geen expliciet wettelijk verbod in te houden om als een belemmering te kwalificeren. Elke nationale maatregel die de uitoefening van een fundamentele verdragsvrijheid minder aantrekkelijk maakt of in de praktijk onhaalbaar maakt voor de burger, vormt een barrière. Aangezien specialistische medische zorg voor de gemiddelde burger zonder collectieve dekking onbetaalbaar is, is een wettelijk gefaciliteerde nulvergoeding economisch en juridisch gelijk te stellen aan een de facto marktuitsluiting.

4. De Onbevoegdheid van het Mededingingsrechtelijk Gedoogbeleid (Artikel 6 Mw)

De redenering dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) het uitsluiten van zorgaanbieders of het afgrenzen van de markt toestaat in het kader van het “patiëntenbelang” (zoals geformuleerd in de IZA/AZWA-context), faalt op basis van het formele mededingingsrecht:

  • Artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw): Dit artikel verbiedt overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen.
  • De grenzen van toezichtsbeleid: De ACM bezit beleidsruimte om zorgsamenwerking te faciliteren, maar is niet wetgevend bevoegd om de formele werking van Artikel 6 Mw buiten werking te stellen ten aanzien van de inperking van markttoegang voor private ondernemingen.

Wanneer het schrappen van Artikel 13 Zvw ertoe leidt dat verzekeraars niet-gecontracteerde aanbieders collectief of individueel op een nulvergoeding zetten, is er sprake van een mededingingsrechtelijk verboden marktafscherming of boycot. Zelfstandige klinieken en vrije beroepsbeoefenaars behouden het recht om deze marktbeperking rechtstreeks via de burgerlijke rechter aan te vechten wegens strijd met Artikel 6 Mw, onverminderd eventuele ACM-beleidsbrieven.

Tegenargument:
De mededingingsrechtelijke analyse is zwak. De verwijzing naar artikel 6 Mededingingswet roept veel vragen op, omdat zorgverzekeraars afzonderlijk contracteren, een wettelijke regeling geen kartelafspraak is en artikel 6 Mw gericht is op overeenkomsten tussen ondernemingen. Als de wetgever een bepaald vergoedingssysteem creëert, is dat nog geen verboden mededingingsbeperkende afspraak tussen ondernemingen. Voor een beroep op artikel 6 Mw moet worden aangetoond dat ondernemingen onderling afstemmen. Dat wordt in het stuk niet uitgewerkt.

Weerlegging:
Dit argument miskent de feitelijke context van het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het AZWA. Het IZA is een convenant waarin private ondernemingen (verzekeraars verenigd in ZN en zorgaanbieders) gezamenlijk afspraken hebben gemaakt over marktafbakeningen (regio’s), sturing van patiëntenstromen, volumebeperkingen die daarvan afgeleid worden via op te stellen (en reeds opgestelde) regioplannen, regiovisies, concentratie- en spreidingsafspraken en andere transitieplannen in onderling overleg en onder aanvoering van de z.g. preferente zorgverzekeraar in een afgesproken regio (met als verplichte volgers de andere verzekeraars). Indien de wetgever Artikel 13 schrapt om de uitvoering van regioplannen te faciliteren, en verzekeraars vervolgens (al dan niet in gezamenlijkheid) gebruik zouden maken van deze ruimte om niet-gecontracteerde zorg op nul te zetten, is rechtens sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging of een besluit van een ondernemersvereniging. De wet sanctioneert dan de facto een privaat kartel, wat strijdig blijft met de formele bepalingen van de Mededingingswet.

5. De Proportionaliteitsbreuk onder Primair EU-Recht (Artikel 56 VWEU)

De uiterste verdedigingslinie van de wetgever leunt doorgaans op de rechtvaardigingsgrond uit het Europese arrest Smits/Peerbooms (C-157/99): het beschermen van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel. Deze uitzondering is echter strikt onderworpen aan de Unierechtelijke proportionaliteitstoets.

  • Artikel 56 VWEU (Vrij verkeer van diensten): Zoals eerder vastgesteld, zijn medische behandelingen diensten in de zin van het verdrag (het Kohll-arrest, C-158/96). Beperkingen hierop zijn slechts toegestaan als zij geschikt en noodzakelijk zijn om het legitieme doel te bereiken.
  • Het ontbreken van proportionaliteit: Een algehele afschaffing van de vergoedingsplicht voor niet-gecontracteerde zorg (de facto een nulvergoeding) is een ultimum remedium. De wetgever kan niet aantonen dat dit het minst ingrijpende middel is om de doelmatigheid te borgen. Er liggen minder ingrijpende alternatieven voorhanden die de markttoegang niet volledig blokkeren, zoals het handhaven van een redelijke vergoeding gekoppeld aan objectieve NZa-maximumtarieven of strikte, non-discriminatoire kwaliteits- en doelmatigheidseisen in de polis. Een nulvergoeding schiet door de proportionaliteitstoets heen en schendt daarmee Artikel 56 VWEU.

Tegenargument:
Europese rechtspraak geeft lidstaten juist veel ruimte in zorgstelsels. Het argument noemt het arrest Smits/Peerbooms. Maar dezelfde lijn in de rechtspraak laat ook zien dat het Hof van Justitie lidstaten aanzienlijke beoordelingsvrijheid geeft wanneer het gaat om kostenbeheersing, planning van zorgcapaciteit en de financiële houdbaarheid van het zorgstelsel. De aangehaalde jurisprudentie ondersteunt niet alleen de vrije dienstverlening, maar erkent juist ook ruime nationale beoordelingsvrijheid.

Weerlegging:
Het Hof van Justitie laat deze ruimte inderdaad toe, maar uitsluitend onder de strikte voorwaarde dat het planningssysteem is gebaseerd op objectieve, vooraf bekende en non-discriminatoire criteria. Binnen het private Nederlandse Zvw-model bepalen verzekeraars echter autonoom en op commerciële gronden hun inkoopbeleid. Er is geen sprake van een objectieve overheidsplanning, maar van gedelegeerde private inkoopmacht. De ruime nationale beoordelingsvrijheid geldt voor zuiver publieke stelsels, niet voor een model waarin de planning afhankelijk wordt gemaakt van de marktstrategie van een private partij of van meerdere private partijen al dan niet in de vorm van een oligopolie.

Tegenargument:
Het proportionaliteitsargument vereist bewijs. Gesteld wordt dat een nulvergoeding disproportioneel is. Dat kan waar zijn, maar juridisch moet dat worden aangetoond. De overheid zou kunnen aanvoeren dat contractering kosten verlaagt en kwaliteitscontrole verbetert, en dat alternatieven onvoldoende effectief zijn. Dan verschuift de discussie naar empirisch bewijs. Een rechter zal meestal niet automatisch aannemen dat een nulvergoeding disproportioneel is zonder een feitelijke onderbouwing.

Weerlegging:
Juist omdat het hier een inbreuk op een fundamentele verdragsvrijheid betreft, ligt de bewijslast bij de wetgever (VWS). De Staat zal voor de rechter hard moeten maken dat een volledige nulvergoeding het enige en minst ingrijpende middel is om de betaalbaarheid te garanderen. Die bewijslast is nagenoeg onhaalbaar, aangezien het stellen van gerichte, objectieve kwaliteits-, toelatings- en bedrijfsvoeringscriteria aan alle aanbieders (via de Wkkgz, Wtza en de Wibz) aantoonbaar minder ingrijpende instrumenten zijn om hetzelfde doel te bereiken.

Ondanks de eerdergenoemde Europese ruimte voor nationale stelsels (zoals uiteengezet in Kohll en Smits/Peerbooms), heeft de Nederlandse Hoge Raad in het Hinderpaal-arrest (ECLI:NL:HR:2014:1646) geoordeeld dat de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg geen feitelijke hinderpaal mag vormen voor de verzekerde om zorg te halen bij een niet-gecontracteerde aanbieder. De Hoge Raad heeft hiermee een concrete nationale grens gesteld aan de uitholling van artikel 13 Zvw. Dit hinderpaalcriterium is door de Hoge Raad nadien onverkort bevestigd in de Zorgverzekeraars-arresten van 9 december 2022 (o.a. ECLI:NL:HR:2022:1790). Een wettelijke nulvergoeding heft deze door de hoogste nationale rechter gecodificeerde bescherming volledig op. Omdat de wetgever de feitelijke hinderpaal daarmee wettelijk verplicht stelt, creëert hij een onoverbrugbare proportionaliteitsbreuk die de facto de markttoegang voor niet-gecontracteerde (buitenlandse) zorgaanbieders volledig dichttimmert.

Conclusie

De aanname dat de vrije artsenkeuze en het hinderpaalcriterium binnen de huidige systematiek van de wet kunnen worden geschrapt, faalt op het kruispunt van de Schaderichtlijn (Solvency II), de Mededingingswet en het VWEU. Zolang Artikel 1 Zvw, onder d, definieert dat er sprake is van een schadeverzekering, gelden de volgende dwingendrechtelijke grenzen:

  1. Artikel 54 van Richtlijn 92/49/EEG biedt uitsluitend een toezichtsbevoegdheid vooraf, maar staat de uitsluiting van marktdeelnemers niet toe, daar het expliciet stelt: “Onverminderd het gemeenschapsrecht”.
  2. Het toestaan van een nulvergoeding schendt de definitie van het schadeverzekeringsbedrijf ex Artikel 6 van de richtlijn.
  3. Het feitelijk uitsluiten van niet-gecontracteerde aanbieders blokkeert de vrije stroom van verzekeringsproducten en diensten zoals beschermd door de Artikelen 39 en 40 van de richtlijn.
  4. De resulterende marktafscherming blijft strijdig met Artikel 6 Mw en faalt wegens strijd met het proportionaliteitsbeginsel onder Artikel 56 VWEU.

Indien de beleidsmakers de vrije artsenkeuze daadwerkelijk willen elimineren om tot een gesloten planningsomgeving of marktafperking te komen, kunnen zij niet volstaan met een geïsoleerde wijziging van Artikel 13 Zvw; zij zullen de zorgverzekering fundamenteel moeten onttrekken aan de wettelijke definitie van een schadeverzekering. De uiteindelijke toetsing blijft vanzelfsprekend afhankelijk van rechterlijke interpretatie.

Zoektermen voor internet

Robert Mouton, Guus Schrijvers, editorial, beleidsontwikkeling, Wetsvoorstel artikel 13 Zvw schrappen 2027, Hinderpaalcriterium Hoge Raad jurisprudentie, Vrije artsenkeuze Europees recht, private schadeverzekering Zorgverzekeringswet, Richtlijn 92/49/EEG artikel 54 algemeen belang, Solvency II Richtlijn 2009/138/EG zorg, Vrij verkeer van diensten artikel 56 VWEU medische zorg, Arrest Smits Peerbooms proportionaliteitstoets zorginkoop, Artikel 6 Mededingingswet IZA regioplannen, Niet-gecontracteerde zorg nulvergoeding marktafscherming.